Marcus 3,31-35 – Jezus volgen? Welkom in een nieuwe familie!

Hans Burger
Hans Burger
1 maart 2009

Marcus 3,31-35 – Jezus volgen? Welkom in een nieuwe familie!

image_pdfimage_print

Liturgie

Voorzang: LB 320
Stil gebed
Votum / groet
Zingen: Ps 122,1.3
Wet
Zingen: Ps 80,10
Gebed
Lezen: Marcus 3,20-35
Zingen: Gez 143,2.3
Preek
Zingen: Ps 133
Kinderen
Lezen avondmaalsformulier
Zingen: Ps 22,12
Gebed
Collecte
Zingen: LB 409,1.3.5
Zegen

Opmerking: ik hoor het graag van te voren wanneer deze preek ergens gelezen wordt. Mijn mailbox is geduldig: hansburger@filternet.nl

Preek over Marcus 3,31-35 – Jezus volgen? Welkom in een nieuwe familie!

Gemeente van Jezus Christus, broeders en zusters,

1. Bahram is een Iraanse vluchteling. Hij komt uit Iran en is dus Moslim van geboorte. Maar in Iran doet hij er weinig mee: hij weet weinig van God. In Iran zit hij zelfs in de criminaliteit. Als hij in Nederland terecht komt, zit het hem niet lekker. Hij voelt zich slecht en onrustig. Hij zegt zelf: ‘Wat je zaait, dat oogst je. Ik merkte dat ik in mijn leven niet het goede gezaaid had.’ Op een zondag komt hij ergens in een Nederlandse stad in een kerkdienst terecht. Het is een kerk voor Iraniërs, al wordt de kerk door een Nederlands echtpaar geleid. Daar ontdekt hij wie God is: de Heilige God. En tegelijk de God die zonden vergeeft. Gaandeweg raakt hij meer onder de indruk en komt tot geloof in Jezus Christus.

Nu heeft hij een geheim. Hij wil wel vertellen over zijn geloof, maar zijn achternaam mag niet bekend worden. Hij wil niet in zijn gemeente gefotografeerd worden. Want stel je voor dat zijn familie ontdekt dat hij christen geworden is. Een Moslim die christen wordt, die wordt uit zijn familie gestoten. Die wordt onterfd. Die is in Iran zijn leven niet meer zeker.

Zijn familie kan hij niet vertrouwen. De anderen in zijn gemeente wel. Daar wordt God aanbeden. Daar delen ze met elkaar hun blijdschap. Daar bemoedigen ze elkaar: in Jezus Christus verdwijnt alle angst.

Voor een Moslim in Iran is familie enorm belangrijk. Maar wie van Moslim Christen wordt, die is zijn familie kwijt. Zijn familie staat hem zelfs in weg om Jezus te volgen. Wat is nu het geweldige: je krijgt er een nieuwe familie voor terug: de familie van Jezus, het gezin van God de Vader.

Jullie zijn voor zover ik weet geen ex-Moslims. Zo heftig als Bahram heeft niemand van jullie het doorgemaakt. Maar zijn er toch dingen die je herkent? Dat een keus voor Jezus, of een verdieping van je geloof in Jezus Christus afstand schept? Tussen jou en je familie, je vrienden van vroeger? Dat is jammer, pijnlijk soms. Tegelijk: is het dan niet bijzonder dat je niet alleen over blijft? Je krijgt er een nieuwe familie, nieuwe vrienden voor terug. De familie van Jezus, het gezin van God de Vader.

Daar mag je met elkaar delen wat je diep raakt. Samen leuke dingen doen. Samen blij zijn. Samen God loven. Elkaar bemoedigen, opbouwen in ons geloof.

2. Ook bij Jezus zie je: de mensen met wie hij altijd omging, vinden nu dat hij maar raar bezig is. Hij is begonnen met zijn optreden. Hij doet de wil van God. Veel mensen lopen met hem weg. Maar de mensen om hem heen, zijn vrienden en familie? Daar denken ze dat Jezus gek geworden is (vers 21). Schriftgeleerden uit Jeruzalem zeggen zelfs (vers 22): Hij heeft een onreine geest.

Ook zijn moeder en zijn broers? Ook zij komen hem halen. Jezus, we moeten eens even met je praten. Zijn eigen familie staat hem in de weg! Wat zou dat met Jezus doen? Hij is druk bezig met wat hem aan het hart gaat – en zijn moeder en zijn broers maken zich zorgen over hem.

Ze staan buiten. Het huis zit zo vol dat zijn familie niet eens naar binnen kan. Dus er gaat een boodschap naar binnen. Jezus hoort het, terwijl hij midden tussen zijn vrienden zit. Jezus, buiten staan uw moeder en uw broers!

Wat gaat Jezus nu doen? Zijn leerlingen en vrienden wegsturen? Ruimte maken voor zijn familie? Zich naar buiten wringen en eerst maar eens zijn familie alle aandacht geven? Proberen hen ervan te overtuigen dat ze zich geen zorgen hoeven te maken? Het zijn immers zijn moeder en zijn broers!

Dat zou je verwachten. Toen was familie nummer 1. Bloedband gaat boven al het andere. Familie betekende in Jezus’ tijd veel meer dan voor ons. Het was ondenkbaar dat er wel plek zou zijn voor vrienden, maar niet voor je eigen moeder en broers.

Maar wat doet Jezus? Hij vraagt: Wie zijn mijn moeder en mijn broers? Hij kijkt om zich heen, de kring rond. En hij zegt: Jullie zijn mijn moeder en mijn broers!Want iedereen die de wil van God doet is mijn moeder, mijn broer, mijn zuster.

Hij trekt zijn familie niet voor. De bloedband met zijn familie is niet het belangrijkste: nog belangrijker is de vraag: doe je de wil van God? Hij geeft zijn leerlingen geen ongemakkelijk gevoel – mag ik hier nog wel bij zijn? Ben ik nog wel welkom, of zal ik maar even weg gaan? Hij is ook niet zo teleurgesteld in zijn familie dat hij alleen nog maar oog heeft voor hen – en dan alleen nog maar negatieve aandacht.

Hij benadrukt slechts dat ene: als je voor mij komt en zo de wil van God doet, dan ben je van harte welkom. Dan ben jij mijn moeder, mijn broer, mijn zus.

3. Wat vinden jullie daarvan? Is Jezus eigenlijk niet bot en onbeleefd? Laat Jezus zo niet zien dat hij gek geworden is?

Want dit is wel raar. Je moet toch je ouders eren? God is toch de schepper van huwelijk en gezin?

Ja. Maar als Gods koninkrijk komt, krijgt heel de schepping een nieuwe plek. De eerste vraag aan iedereen wordt: wil je Jezus Christus erkennen als heer en koning? Gods rijk gaat boven ouders, boven het gezin.

Want God is zelf Vader. In Gods rijk sticht die Vader zelf een nieuw gezin: rondom Jezus ontstaat een nieuwe familie.

Misschien valt het je op: het gaat hier over een moeder, over broers, over een zuster, maar niet over een vader. Tegelijk gaat het hier wel over God – de Vader van Jezus. Hij staat hier nadrukkelijk op de achtergrond. Gods rijk komt, dat wil zeggen: God de Vader adopteert verloren mensen, neemt ze in Christus als zijn eigen kinderen aan. En zijn Vader in de hemel is ook de vader van Jezus’ moeder hier op aarde. In deze nieuwe familie kan ook Jezus’ oude familie een plek krijgen.

Zo kijkt Jezus liefdevol om zich heen, de hele kring rond. Ik trek niemand voor. Ik stuur nu niemand weg. Niemand hoeft zich hier minderwaardig te voelen. Zo keek Jezus toen, zo doet hij het ook nu. Hij kijkt iedereen aan die hier in de kerk komt om bij Hem, bij Jezus te zijn. Kijk maar eens om je heen – zie je ze zitten? Vrienden en volgelingen van Jezus.

Hij zegt: Jullie, mijn vrienden en volgelingen, jullie zijn mijn nieuwe familie. Jullie zijn mijn broers en mijn zussen. Want ik zorg ervoor dat jullie en ik dezelfde vader hebben: God, de Vader in de hemel.

Laat dat eens op je in werken. Denk je dat jij er niet echt bij hoort? Jezus is geen koning die zijn eigen familie voortrekt. Jij hoort juist bij zijn familie. Ben je bang dat Jezus naar jou niet zal luisteren? Jezus is geen afstandelijke goeroe. Hij luistert naar je! Maar dit zegt niet alleen iets over Jezus, het zegt ook iets over God. Als Jezus ons zo dichtbij laat komen, dan laat God ons dichtbij komen. De Zoon wordt onze broer, de Vader onze Vader.

Wij zijn eraan gewend. Maar het is zo bijzonder. De kerk is Gods gezin. De avondmaalstafel hier volgende week, is de familie-tafel waar onze oudste broer de gastheer is. Jezus nodigt jullie uit: kom bij mij. Wees mijn broer, mijn zus. Wees kind van mijn eigen vader.

4. Een geweldige uitnodiging!

Hoewel – misschien moet je wel veel moeite doen om hierin een uitnodiging te horen. Zo aardig klinkt het niet voor Maria, voor zijn broers. Het klinkt toch wel hard wat Jezus zegt.

Jezus zegt de dingen wel vaker heel duidelijk. Maar let er op: Jezus wil hier twee dingen duidelijk maken: Je bent welkom in de kring die om Jezus heen zit. Daar zit je goed. Buiten die kring om Jezus kun je nergens zeker van zijn. Al ben je honderd keer familie van Jezus.

Het gaat er dus om dat je in de kring om Jezus zit. Dat wil Jezus heel duidelijk maken. Daar is iedereen welkom – ook zijn moeder en zijn broers. En laten ze nu niet zo dom zijn om buiten die kring te blijven staan! Want dan ben je zelfs je leven niet meer zeker!

Volgende week vieren we avondmaal. De maaltijd van het gezin. Stel jezelf op weg naar het avondmaal die vraag: hoor ik bij de broers en zussen van Jezus?

Hoor jij er bij?

Het gaat niet om een bloedband. Het gaat er niet om dat je christelijk bent opgevoed in een christelijk gezin. Het gaat niet om wie je broer is of je zus of je moeder. Het gaat om jouzelf. Zit jij in de kring om Jezus en doe jij de wil van God, de Vader?

Misschien denk je nu: ja en nee. In de kring om Jezus zitten, ja dat wel. Maar durf ik te zeggen dat ik de wil van God doe? Daarmee zeg je nogal wat. Hoor ik er dan niet bij?

Wat is eigenlijk de wil van God de Vader?Lees dan nog eens goed wat Jezus zegt. Eerst kijkt hij de kring rond. Dan zegt hij: Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.

Daar gaat het Jezus om: je hoort bij Jezus’ gezin als je in de kring om Jezus heen zit. En als je daar zit, dan doe je Gods wil! Dat is Gods wil: dat jij er bij komt zitten, in die kring. Kom erbij zitten. Wees en blijf leerling van Jezus. Laat jezelf steeds weer vullen met de Geest van Jezus. Luister naar wat Jezus zegt over wat God verder wil. Volg Jezus – ga achter Hem aan. Van harte welkom!

Dat is niet moeilijk.Jezus stelt juist geen hoge eisen voor je welkom bent in de kring. Je bent welkom! Wat God wil komt voort uit pure liefde. Hij houdt van jullie!

5. Jezus volgen is dus: opgenomen worden in een nieuwe familie, een nieuw gezin. Want je krijgt een nieuwe vader.

Achter Jezus aangaan is dus ook ontdekken en leren dat de gemeente erbij hoort. Je krijgt er een nieuw gezin bij – broeders en zusters, broers en zussen hier in de kerk.

Dat is denk ik mooi en lastig. Of niet?

Soms is het heel mooi. Ik denk aan de verjaardag van Boaz laatst. Zoals jullie weten woont onze familie allemaal ver weg, te ver. De opa’s en oma’s moeten allemaal meer dan drie uur reizen voor ze hier zijn. Wij vinden het geweldig dat er dan nog meer familie is – hier in de gemeente. Boaz heeft een mooie verjaardag gehad – samen met familieleden uit ‘De Voorhof’.

Ik denk ook aan iemand die ongetrouwd is. Door de week is hij druk aan het werk, dan merkt hij weinig van eenzaamheid. Maar zondag is een saaie dag in je eentje. Wat is het dan heerlijk dat er een gemeente is, waar je anderen kunt ontmoeten. Wat is het dan goed dat je samen naar God mag gaan. Waar hij merkt dat hij ook zijn gevoelens van eenzaamheid kwijt kan, als een lied hem diep raakt en de tranen in zijn ogen staan.

Soms is het ook lastig. Broers en zussen kunnen soms behoorlijk ruzie maken. Wie hebben er wel eens aan mijn haren getrokken? In elk geval mijn zus en mijn broers toen we klein waren. Anderen doen dat niet zo snel. Zo is het in de kerk ook. Het zijn mooie woorden van Jezus – als het allemaal goed is. Maar als je dat zwarte schaap van de familie bent en vergeten wordt? Als juist je familie-leden je pijn doen? In de gemeente kun je diep teleurgesteld raken. Werken in een gemeente kan vermoeiend zijn.

Stel dat de gemeente voor jou een plek is van pijn en teleurstelling, wat doe jij dan?Dat los ik nu niet zo maar op. Je kunt verhuizen, een andere gemeente zoeken, zonder gemeente verder gaan.

Maar uiteindelijk moeten we het allemaal van dezelfde Jezus hebben. Er is straks maar één groot gezin van God de Vader. Het is Jezus die tegen ons allemaal zegt: Kom erbij, in de kring. Je bent van harte welkom. Als je hier bij mij komt, dan doe je de wil van God. Dan ben je mijn moeder, mijn broer, mijn zuster.

6. Dat is een geweldig voorrecht: uitgenodigd worden, volgende week zelfs aan Jezus’ tafel.

Maar er hoort een vraag bij. Zit jij in de kring aan Jezus’ voeten, of sta je buiten en roep je Jezus. Jezus, kom eens naar buiten toe? Zoals zijn moeder en zijn broers?

Je staat buiten als je niet meedoet met de anderen. Als je kerkdiensten niet zo belangrijk vindt. Als je geen behoefte hebt aan wijkactiviteiten, aan bijbelstudie of groeigroepen. Niet thuis geeft als je gevraagd wordt om mee te doen. Als je je niet geeft en je niet laat kennen.

Denk er eens over na: hoe ga je om met je aardse gezin? Hoeveel tijd steek je daar in? Hoe ga je om met je vrienden? En hoe is dat in de kerk? Vergelijk het eens met elkaar.

Bedenk elke keer weer: de kerk is de nieuwe familie die je van Jezus krijgt. De gemeente is het gezin van God de Vader zelf. En de mensen hier om je heen – het zijn je broeders en zusters, je broers en zussen. Je broertjes en zusjes. Sommigen van jullie vinden het geloof ik nog steeds raar dat ik broers en zussen zeg. Wel – noem het zoals je wilt – broeders en zussen mag ook. En onthoud steeds waarom we het zeggen: we zijn samen kinderen van God de Vader, de familie van Jezus zelf.

Dat zijn we met elkaar. En daarom gebeuren er hier in de gemeente prachtig mooie dingen – zorg dat je het niet vergeet. Kijk er niet over heen!

Tegelijk is het ook nodig om steeds weer tegen elkaar te zeggen: laat iedereen hier proeven de liefde van één Vader. Vader en Zoon houden van ons. Houd van elkaar als broers en zussen. Want Jezus’ Geest woont toch in je – of is dat niet zo?

Daarom: blijf niet aan de kant staan. Laat je kennen. Durf je aan elkaar te laten zien. Deel je leven met elkaar. Ga bij elkaar op de koffie, ook eens bij iemand die je nog niet kent. Blijf samen leuke en gezellige dingen doen. Zorg ervoor dat niemand zich na de dienst verloren hoeft te voelen in de gang of in de koffiekamer. Doe mee in de wijken, draai mee met een vrouwenvereniging of een mannenontbijt. Wees actief lid van een bijbelstudie of groeigroep. Ga samen in de kring om Jezus heen zitten. Leer verder van hem wat de wil van God is.

Volg Jezus –wees welkom in zijn eigen gezin. Als broers en zusters, kinderen van zijn Vader.