Johannes 20,5-9 – Ik ben de opstanding en het leven

Hans Burger
Hans Burger
8 april 2012

Johannes 20,5-9 – Ik ben de opstanding en het leven

image_pdfimage_print

Pasen 2012

Gezamenlijke dienst met de Christelijke Gereformeerde Kerk in Franeker

<

Liturgie

Binnendragen twee brandende nieuwe paaskaarsen (CGK en GKv)
Welkom
Zingen
- Gez 95 – Daar juicht een toon
- LB 215 – Christus onze Heer verrees
- Opwekking 430 – Heer ik prijs uw grote naam
Stil gebed
Votum
Zegengroet
Zingen: Sandra met Julia Opw voor Kids 145 ‘Jezus is wil u bedanken’
Gebed
Schriftlezing: Johannes 20,1-23
Zingen: Gez 96,1.2.3.7.8
Preek over Joh 20,5-9
Meditatieve pianosolo
Zingen: Opw 575 Jezus alleen
Kinderen
Zingen: projectlied
Het nieuwe leven: Efeze 4,25-5,20
Zingen LB 218,1.3.7.8
Gebed
Collecte
Zingen:
- Opw 479
- Gez 99 U zij de glorie
Zegen
Zingen: Opw 710 Zegen mij

Opmerkingen:

- Bij deze preek is een Samen GROEI-en (een samenvatting met verwerkingsvragen) beschikbaar;

- Bij deze preek is een pp-presentatie beschikmaar met foto’s gemaakt door gemeenteleden in het kader van ons Paasproject

- Ik vind het prettig om het even van te voren te horen wanneer deze preek ergens in een kerkdienst gelezen wordt. In mijn mailbox past altijd nog wel een mailtje: hansburger@filternet.nl

Preek over Johannes 20,5-9 – ik ben de opstanding en het leven

1. Jezus leeft! Hij is echt opgestaan! [dia 1]

We vieren feest vandaag.

Het Paasfeest is het belangrijkste feest van het christelijk geloof – hier staat of valt alles mee. Paulus zegt in 1 Korinte 15: Als Christus niet is opgewekt, dan is ons geloof nutteloos.

Pasen is het grootste feest. Maar het is ook de grootste aanslag op je geloof. [dia 2 zwart] Kun je dat geloven – zo groot?

Kijk Maria – ze gaat naar het graf. Ze is zo verdrietig. Haar Heer is dood! [dia 3]

En dood – dat is zo dood.

Ik was pas op een begrafenis en daar werden zulke mooie dingen gezegd – maar het was ook zo niet waar. Wij kunnen mooie dingen zeggen over voortleven na de dood, over de dood die bij het leven hoort, over dat de dood ook wel goed is – het is niet waar. De dood hoort niet bij het leven – zo het einde. Zo definitief. Zo losgescheurd van het leven. [dia 4 zwart]

En als je dan iemand verloren hebt, bij een graf staat, elke dag iemand mist, als je niet meer weet waarvoor je nog leeft…

Zou het echt zo zijn?

Doden staan toch niet op?

Maria komt vroeg op zondagmorgen bij het graf. En ze schrikt ontzettend. Het graf is open gemaakt! Waar is Jezus’ lichaam?

En ze rent terug. Naar Petrus, naar Johannes.

Hij is weg!

Grafschennis!

Grafroof!

Opgestaan uit de dood? Het is te groot. Het komt niet in haar op.

En wees nuchter – kijk naar de feiten.

Dood is dood.

Je wordt in een graf gelegd. Of gecremeerd.

En daarna is er alleen een herinnering.

De feiten spreken voor zich.

Nou, wat zeggen de feiten?

Zijn de feiten zo duidelijk?

Weet je het zeker?

Petrus en Johannes komen er ook aan gerend.

Johannes is sneller

Petrus is wat brutaler

Maar allebei zien ze het – ook dat zijn de feiten.

Ze komen bij het graf – geen kuil in de grond, maar een grafkamer uitgehakt in een rots.

Daar binnen, daar lag het lichaam.

Het ligt er niet meer.

Wel liggen er doeken.

Jezus’ lichaam was in doeken gewikkeld. Zo deden de Joden dat. Doeken met balsem overal om het lichaam heen. Net als een mummie in Egypte.

Die doeken liggen er wel – en het ziet er ook wel netjes uit. Opgerold. Sommige apart neergelegd – niet zoals een grafrover zou doen.

Maar het lichaam is er uit.

Petrus en Johannes, ze hebben het allebei gezien. Met eigen ogen.

Allebei kunnen ze ervan getuigen.

Ook dat zijn feiten.

2. Harde feiten – dat vinden we belangrijk.

Eerst zien, dan geloven.

Laat er eerst maar eens goed onderzoek komen. En als iets wetenschappelijk bewezen is, ja, dan is het ok.

Wat zeggen de feiten?

Er is echt iemand dood.

Er is een graf.

Er liggen doeken in het graf – netjes opgeruimd

Er is geen lichaam meer.

Dat zijn de feiten, maar wat zegt het?

Het zegt Maria heel veel – Jezus is weggehaald! Waarheen?!

Wat het Petrus zegt – dat wordt niet duidelijk.

En de andere leerling – Johannes – die gelooft.

Zie je dat?
Er zijn harde feiten – en de een gelooft wel, de ander niet.

Met diezelfde harde feiten.

Kun jij geloven bij een open graf?

Kun jij geloven dat er een God is in een wereld vol lijden?

Kun jij geloven in God als het je tegen zit?

Of, misschien nog wel moeilijker: kun jij geloven als je alles prima voor elkaar hebt – waar heb ik God voor nodig? Ik zie er mooi uit, ik heb een mooi leven, ik heb het mooi voor elkaar!

De een gelooft wel, de ander niet.

Of je gelooft eerst niet, maar later wel.

Wat is het verschil?

Waarom niet, waarom wel?

Als je Johannes 20 snel leest, dan valt je in elk geval één ding op.

Maria gaat geloven als ze Jezus zelf ontmoet.

Nou nee, hem zien is niet genoeg.

Pas als Hij haar aanspreekt – ‘Maria!’

En de bange leerlingen, ze worden blij als ze Jezus ontmoeten.

Hij komt bij hen.

Hij geeft hen zijn vrede.

Dan is het allemaal duidelijk – blij geloven ze. Hij leeft!

En Petrus, van wie niet gezegd wordt dat hij direct geloofde – zou het iets zeggen dat hij in de ontmoeting zijn Heer verloochend had?

OK – dus de ontmoeting met Jezus maakt het verschil.

Het verschil tussen ongeloof en geloof – zoek Jezus op, en dan kun je gaan geloven!

Ik vind het moeilijk – en ik wil geloven. Waar zoek ik Jezus dan?

Ja… hoe moeten wij dat doen?

Waar kunnen wij Jezus ontmoeten?

Wij kunnen niet naar hem toegaan.

Als het waar is dat Hij is opgestaan, zoals de Bijbel vertelt, dan is Hij ook naar de hemel gegaan. Hij is hier niet meer!

En dus – moeten we het zonder doen?

Waar kijk jij naar?

Naar wat er mooi en aantrekkelijk uit ziet?

Naar wat er mis gaat?

Naar wat er pijn doet en wat je nooit meer mee wilt maken?

Naar wat goed voelt?

Waar let jij vooral op?

Maar, let nu eens goed op.

Als je Johannes 20 goed leest, dan staat er nog iets anders.

Waarom geloofden ze niet?

Vers 9: [dia 5]

Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan.

Dat is het meest belangrijke: het commentaar van de Schrift bij de feiten.

De feiten, die zeggen nog niet zoveel.

Het is maar net hoe je er naar kijkt.

Het is maar net waar je vooral naar kijkt.

Maria zag alleen haar tranen en een graf.

3. Het verschil zit in de woorden van de Schrift, de Bijbel.

En natuurlijk in wat die woorden zeggen.

Waar gaat het over in de Bijbel?

Over wat God gedaan heeft en doet en zal doen.

Over hoe God Jezus Christus gegeven heeft.

Over wat Jezus Christus voor ons heeft gedaan en meegemaakt.

In de Schrift ontmoet je Jezus zelf.

De feiten die zijn er.

De Bijbel zet die feiten in het licht. [dia 6]

Het licht van God.

Het licht van Jezus.

En dan is het mooi dat we vanmorgen een Paasproject afronden dat ging over de ik ben-woorden in Johannes.

Dit verhaal van Pasen in Johannes 20 is de climax van al die ik ben-woorden.

Leer vanuit die woorden naar de feiten kijken.

Zullen we ze nog eens langslopen?

Dan zie je dat ze allemaal gaan over Pasen, over leven.

De eerste – ik ben het brood dat leven geeft. [dia 7] Johannes 6. Dit brood eten, betekent nooit meer honger hebben, vers 35. Je diepste, geestelijke honger wordt gestild. Het brood eten betekent dat je bij Jezus hoort en dat hij jou op de laatste dag levend zal maken, vers 39. Niet alleen Hij opgestaan, ook jijzelf. Wie dit brood eet, sterft niet, vers 50. Hij zal eeuwig leven, vers 51. Eet dit brood, dan blijft Jezus in je. Geen dode, het is de Levende zelf die in je woont en je leven geeft.

Ik ben het brood dat leven geeft – dat gaat over Jezus die gestorven en opgestaan is, die zorgt dat jij en ik zullen opstaan en eeuwig leven.

De tweede – ik ben het licht, Johannes 8. [dia 8]Het donker, daar kun je niet leven. Daar is angst, daar kwijn je weg, daar verdwaal je. Direct worden dood en opstanding hier niet genoemd. Maar licht en leven hebben alles met elkaar te maken. Opstanding zet alles in het licht – je ziet een weg om verder te leven, je ziet waar je bent. Als het lente wordt en de avonden worden langer, ik vind het heerlijk: het wordt weer licht! Licht geeft leven.

Dan de derde – ik ben de deur, Johannes 10. [dia 9] Achter de deur ben je veilig voor dieven en rovers. De deur beschermt je leven, en door de deur ga je naar het leven toe. Dieven komen om te roven zegt Jezus in vers 10. Maar Jezus zelf? ‘Ok ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid.’ Leven in al zijn volheid – dat geeft Jezus door zijn opstanding. Echt leven, genieten, tot je recht komen, verzadigd zijn, geliefd zijn, bij God zijn – dat is leven, dat is opstanding.

De vierde, ook in Johannes 10. Ik ben de goede herder. [dia 10] De herder heeft hart voor de schapen. Hij gaat voor de schapen het gevecht aan met de wolf. Hij geeft desnoods zijn leven om de wolf te doden. En zegt Jezus dan, vers 17 en 18: [dia 11]

De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen. 18 Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen.’

Dat gaat over opstanding. Hij is vrij om te sterven. Hij heeft ook de macht om uit de dood weer op te staan. Geen dode herder, maar een herder die eeuwig leven geeft. Jezus zal niemand verloren laten gaan, vers 28. Dat gaat over Jezus’ opstanding èn over onze opstanding.

Nummer vijf. Jezus gaat de dode Lazarus weer levend maken. Jezus zegt dan, Johannes 11,25-26: [dia 12]

‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven.’

Dat gaat over zijn opstanding. Hij is de opstanding. Maar natuurlijk en vooral over onze opstanding [dia 13] – nooit meer sterven – dankzij Jezus. Als jij sterft: de dood is niet het einde. Geloof in Jezus – en je ligt in je graf alleen maar tot de dag van de opstanding!

Het zesde. Johannes 14. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, zegt Jezus. [dia 14] Jezus gaat naar zijn Vader en zo brengt Hij ons bij de Vader. Hij gaat niet als een dode, die na zijn dood verder leeft. Hij gaat naar zijn Vader als de opgestane. Zo is Hij ook het leven. Leven voor ons, leven bij God.

Het zevende ik ben-woord, Johannes 15. Ik ben de ware wijnstok. [dia 15] Het gaat hier niet met zoveel woorden over opstanding. Maar het hele beeld veronderstelt een Jezus die leven geeft, die krachtig is, zijn leven met ons deelt. In een dode Jezus kun je niet blijven. Een dode Jezus blijft niet in ons. Door zijn leven kunnen wij leven, alleen door de wijnstok kunnen wij vrucht dragen – dat gaat over Jezus die is gestorven èn opgestaan. Jezus die leven aan ons geeft. [dia 16 zwart]

Nou, dat is een heleboel bij elkaar.

Zie je het?

Jezus is niet dood.

Jezus leeft – Hij is opgestaan.

En niet alleen op zichzelf. Daar. Toen. Ver weg. Het zijn maar geen kale feiten – Hij is onze machtige, prachtige, lieve Jezus – de Heer die leeft!

Hij is de opstanding en het leven.

Voor jou. Voor mij. Voor iedereen die in Hem gelooft.

Ik mag iedereen uitnodigen: geloof in Jezus. Geloof dat Hij de opstanding en het leven is.

Geloof in Hem – en je krijgt leven.

Vitaal en vol.

Leven met God. In liefde.

Nieuw leven, voor eeuwig.

De dood krijgt het niet stuk – nooit meer.

De dood hoort niet bij het leven.

De dood is verslagen en zal verdwijnen.

Hij is de opstanding – ook wij zullen opstaan!