Johannes 20,24-29 – Gelukkig als je niet ziet en toch gelooft!

Hans Burger
Hans Burger
11 april 2010

Johannes 20,24-29 – Gelukkig als je niet ziet en toch gelooft!

image_pdfimage_print

Gezinsdienst

Liturgie

Zingen:
- EL 478 – Zing, zing, zingen maakt blij
- Weet je dat de lente komt?
Stil gebed
Votum / groet
Zingen: Gez 94,1.3.6
Wet
Zingen: Ps 32,1.3
Gebed
Bijbellezing Johannes 20,19-31
Zingen Gez 64 – Vrede zij u
Interview met Thomas
Preek over Johannes 20,24-29
Zingen: EL 475 – Wij zullen opstaan
Gebed
Collecte
Zingen Opw 602 – Vrede van God
Zegen

Opmerkingen:

- ik vind het prettig om het even van te voren te horen wanneer deze preek ergens in een kerkdienst gelezen wordt. In mijn mailbox past altijd nog wel een mailtje: hansburger@filternet.nl

- bij deze preek hoort een pp-presentatie en een kinderblad

Preek over Johannes 20,24-29 – Gelukkig als je gelooft!

1. Marnix zit in groep 8. Het is maandag, hij gaat naar school. Als hij met zijn fiets naar buiten komt, ziet hij ook Bart, zijn grote buurjongen. Bart gaat ook naar school, maar die zit al in HAVO-4.

‘Bart, moet je horen: ik ben zaterdag kampioen geworden! Met voetbal!’ roept Marnix.[dia 2]

Bart zit hem altijd wat te plagen. Maar nu kan hij vast niks bedenken. Ze zijn echt kampioen geworden!

Maar Bart kijkt hem ongelovig aan.

‘Jij? Je bent zo’n klein mannetje. Ben jij kampioen geworden? Ik geloof er niks van!’

Marnix baalt.

‘Jij gelooft me ook nooit! Het is echt zo. We hebben de beker.’

Bart kijkt hem lachend aan.

‘Je beker met melk zeker?’

Marnix wordt boos.

‘Nee, de kampioensbeker!’

‘Laat maar eens zien’, zegt Bart.

‘Hij staat al in de prijzenkast’, zegt Marnix.

‘Zie je wel?’ zegt Bart plagerig.

Maar Marnix houdt deze keer vol. ‘Ik heb wel een medaille, en een foto, die zal ik je laten zien. Vanmiddag!’

‘Afgesproken!’

Die middag staat Marnix op de uitkijk. Wanneer zou Bart thuiskomen?

Als hij Bart ziet komen, pakt Marnix de foto van het hele team, met de kampioensbeker. Ze staan er allemaal op, met de beker, en een medaille. En de medaille neemt hij mee. [dia 3]

Hij laat het allemaal aan Bart zien.

Nu moet Bart het wel geloven.

‘Zie je wel, ongelovige Thomas!’

Nu zit Bart niet meer te pesten.

‘Goed man! Gefeliciteerd! Zullen we zo samen een balletje gaan trappen, daar op het veld?’

Voetballen met Bart? Nu kan Marnix z’n dag niet meer stuk.

Met de medaille nog om z’n nek loopt hij mee. De kampioen!

Heb jij dat ook wel eens?

Dat je iets vertelt, en dat iemand anders het niet geloven wil. Ze gelooft het pas als je het echt kunt bewijzen?

 

2. Zo was het ook bij Thomas. We hebben net het interview met Thomas gehoord.

Hij was er niet bij, die eerste zondagavond. Het was de dag van Pasen zelf.

Johannes wel. [dia 4] Hij was ’s morgens bij het graf van Jezus geweest. Toen wist hij het: het graf is leeg. Jezus is opgestaan! Jezus zelf had hij toen nog niet gezien.

Die zondagavond, dat was de eerste keer dat hij zelf Jezus gezien had.

Hij weet nog precies hoe het ging.

Ze zijn bij elkaar. ‘s Avonds kan het wel, dan is het donker. Overdag is het te gevaarlijk. Alle deuren op slot. Misschien willen de Joden hen toch nog allemaal in de gevangenis zetten. Balen de Joden nu dat ze hen hebben laten lopen.

De leerlingen praten over de dag. Wat een rare dag was het. Het graf was leeg. Maria heeft Jezus gezien. Een paar andere vrouwen ook. En zelfs Petrus heeft Jezus gezien. Hoe kan dat? Is Jezus opgestaan? Wat moeten zij dan nu? Waar is Jezus?

En dan opeens – daar komt Jezus en hij staat in hun midden. [dia 5] Hij leeft. Hij zegt zoiets moois: ‘Ik wens jullie vrede!’ Ze zijn allemaal diep onder de indruk. De tranen schieten Johannes in de ogen. Daar is Jezus!

Wat was het jammer dat Thomas er niet bij was. Juist toen was hij weg.

Jullie hebben het al gehoord: Thomas wil het niet geloven.

Ook Johannes praat met Thomas. ‘Het is echt zo! We hebben hem zelf gezien. Hij leeft!’

Maar Thomas kan het niet geloven. [dia 6] Hij heeft gezien hoe Jezus daar hing. Dood aan het kruis. Verschrikkelijk. Dat het zo af zou lopen! Al die blije mensen, hij kan er niks mee. Ze zitten maar aan zijn hoofd te zeuren. Wat kan het hem schelen? Jezus was zo verschrikkelijk dood.

Denk nog eens even aan Marnix en Bart. Bart wil niet geloven dat Marnix kampioen geworden is. Marnix is een klein jongetje. Kleine jongetjes worden geen kampioen. Bart vindt het ook leuk om Marnix wat te pesten. ‘Jij, kampioen?’

Maar Thomas?

Zijn wereld is ingestort.

Hij had eerst alles van Jezus verwacht.

Later had hij wel eens gedacht: Wat moet dit worden?

Toen ze naar Jeruzalem gingen, toen had hij al gezegd: We gaan met Jezus mee, en dan zullen wij vast ook met hem sterven.

En nu – nu was alles inderdaad voorbij.

Jezus opgestaan? Jezus is dood. Jezus heeft gaten in zijn handen van de spijkers. Gaten in zijn voeten. Een gat in zijn zij van de speer van de soldaten. Gekruisigde mensen staan niet op.

Thomas zit ze niet te plagen. Hij kan het gewoon niet geloven.

Hij zit diep in de put. Voor Thomas is alles zwart en donker.

Heb jij dat ook wel eens? Dat je geen zin meer hebt om naar school te gaan. Dat je nergens zin in hebt. Waarom zou je? Wat maakt het nog uit?

Je wordt gepest. Je ouders maken ruzie. Je oma is gestorven.

Thomas was ook behoorlijk depri.

Maar ja, hij had het immers zelf gezien: Jezus dood aan het kruis.

3. En dan een week later.

Precies een week later – dus weer op zondag.

Nu is Thomas er wel.

Het gaat net zo als de vorige keer.

Weer zijn de deuren dicht.

En opeens – weer is Jezus er! [dia 7]

Weer zegt Jezus: Ik wens jullie vrede!

Zie je dat?

Vraag je wel eens aan je heit en mem, of je papa en mama: Waarom gaan we op zondag naar de kerk?

Dat begint hier. Vanaf de eerste Paasdag komen ze bij elkaar. En vanaf het begin is Jezus er dan zelf bij. Zo zijn we hier zondags – om Pasen te vieren. Net als de leerlingen. Om bij Jezus te zijn.

Bijzonder toch?

Zorg dat je er ook bij bent.

Dat je niet als Thomas ergens anders bent. Want dan mis je wat!

Dus – nu zijn ze er weer – met Thomas.

Wat doet Jezus nu?

Hij weet precies wat Thomas heeft gezegd. Hij weet alles. Hij kent Thomas. Hij weet hoe Hij Thomas kan helpen.

Thomas was er niet bij toen Jezus kwam.

Jezus was er wel bij toen Thomas het niet kon geloven.

En Jezus gaat naar Thomas toe. [Dia 8]

Hij scheldt hem niet uit.

Hij wordt niet boos.

Hij zegt alleen: Kijk maar Thomas: mijn handen, mijn zij. Ik ben het echt.

Wees niet ongelovig. Maar geloof!

Dat vind ik zo mooi.

Jezus is opgestaan.

Wij zien Hem niet – net als Thomas Hem eerst niet zag.

Misschien zit jij ook wel in de put. Is het om jou heen net zo zwart als bij Thomas. Voel je je depri.

Maar Hij ziet ons wel – jou, mij.

Hij weet het!

En Hij weet precies wie jij bent.

Wat je nodig hebt.

Jezus is opgestaan.

Hij kent je – en hij houdt van je!

En Thomas?

Thomas ziet Jezus. Wat zou er verder nog moeten gebeuren?

Thomas is helemaal verkocht. Helemaal onder de indruk.

Weet je wat Hij zegt? [dia 9]

Wie weet het nu al? Als je thuis de woordpuzzel maakt, houd je letters over. Die letters samen vormen woorden, precies wat Thomas zei.

‘Mijn Heer, mijn God!’

[dia 10]

Jezus leeft!

Jezus is er!

Jezus kent mij!

Jezus houdt van mij – dat merkt Thomas.

Je merkt ook: Thomas houdt van Jezus.

En hij is diep geraakt.

‘Mijn Heer, mijn God!’

Dat heeft nog niemand tegen Jezus gezegd.
Die ongelovige Thomas, die mag nu zeggen wat niemand voor Hem durfde te zeggen.

Jezus is God!

Mijn God.

Zo dichtbij is God hier.

4. Geloof jij dat?

Geloof jij dat Jezus is opgestaan?

Zeg het, net als Thomas. Dat kun je zeggen als je nog jong bent. Maar je bent nooit te oud om het te leren zeggen:

‘Mijn Heer, mijn God’.

Zo mag je van Jezus houden.

Mijn Jezus!

Dat Hij alles voor je is.

Hij mag het zeggen wat er met jou gebeurt.

Bij Hem wil je horen, wat er ook gebeurt.

Of kun je dat niet geloven, dat Hij er is, elke dag?

Denk nog eens aan Bart en Marnix. Weten jullie het nog, van het begin van de preek?

[dia 11] Marnix was kampioen geworden. Maar Bart geloofde het niet. Tot hij de medaille van Marnix zag. En de foto, van Marnix en zijn team, met de kampioensbeker.

Eerst zien, dan geloven.

Zo ging het heel duidelijk bij Thomas. Eerst Jezus zien, dan geloven.

Bij Marnix en Bart ging het ook zo – eerst de foto zien, dan geloven.

Nee, het was toch anders: Bart heeft niet de wedstrijd gezien. Hij zag alleen de medaille en de foto.

Zou jij Jezus ook wel eens willen zien? [Dia 12] Net als Thomas, samen met Jezus zijn?

Samen eten? Hem kunnen aanraken?

Wij kunnen Jezus niet zien. Jezus is weg, naar de hemel gegaan.

Net zoals Bart de wedstrijd niet gezien heeft. Hij was er niet bij. Hij heeft alleen een foto gezien. Hij heeft alleen de medaille gezien. En toch geloofde hij het: Marnix, geweldig, je bent kampioen!

Wij hebben eigenlijk ook een foto – het verhaal van Thomas, het verhaal van Johannes. We zien Jezus niet zelf, maar we hebben wel de verhalen van toen het echt gebeurde.

Natuurlijk zien we Jezus zelf niet.

Maar dan moet je eens luisteren naar wat Jezus zegt. [dia 13] Je kunt het ook meteen invullen op je blad. Wat zegt Jezus tegen Thomas en tegen ons?

[Vragen]

Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.

Vergeet dat nooit! [dia 14]

Dat kan – dat je Jezus niet ziet.

En dat je de Bijbel leest.

Of nu deze preek hoort.

En dat je gelooft.

Al is je wereld nog zo zwart.

Thomas zag het ook niet meer zitten.

Zit niet bij de pakken neer!

Dat hoeft echt niet.

Want toen Thomas Jezus niet kon zien, zag Jezus Thomas wel, weet je nog?

Als wij Jezus niet zien, ziet Jezus ons wel.

Want Hij is opgestaan.

Hij houdt van ons.

Hij zorgt voor je.

En Hij weet precies wat we nodig hebben!

Jezus zegt zelf: je bent gelukkig als je niet ziet en toch gelooft.

Blijf niet treuren, zit niet bij de pakken neer.

Want: wij zullen opstaan, en met Hem meegaan. Straks als Jezus terugkomt!