Johannes 19,11 – God geeft zijn Zoon voor ons

Hans Burger
Hans Burger
2 april 2010

Johannes 19,11 – God geeft zijn Zoon voor ons

image_pdfimage_print

Liturgie

Stilte
Voorzang Gez 90,1
Stil gebed
Votum / groet
Zingen: Ps 25,1.2
Gebed
Lezing avondmaalsformulier
Gebed
Zingen LB 178,1.4.6
Viering
Zingen Ps 113
Koor: O gedaagde voor het sanhedrin (uit het Paasoratorium ‘Het lam dat ons doet leven’)
Schriftlezing: Joh 19,1-16
Stilte
Zingen LB 177,2.3.7
Preek
Zingen LB 175,2-4
Gebed
Collecte
Zingen Gez 90,2
Zegen
Stilte

Opmerking:

- ik vind het prettig om het even van te voren te horen wanneer deze preek ergens in een kerkdienst gelezen wordt. In mijn mailbox past altijd nog wel een mailtje: hansburger@filternet.nl

 

Preek over Johannes 19,11 – God geeft zijn Zoon voor ons

1. Over de rug van Jezus voeren Pilatus en de Joodse leiders hun machtsstrijd. Letterlijk over zijn rug – een geseling meer of minder maakt niet uit. Je ziet het vaker tussen mensen gebeuren. Touwtrekken. Een machtsstrijd; openlijk of meer verborgen. Hij wil zijn zin krijgen maar zij ook. Wie gaat het winnen?

Beide spelen ze geen open kaart. De Joodse leiders komen bij Pilatus en zeggen: deze man is een misdadiger. Wat heeft hij dan gedaan? Hij wil koning zijn. Het is een opstandeling. Zo hopen ze het voor elkaar te krijgen dat Jezus gekruisigd wordt.

Pilatus voelt er niks voor. Hij gelooft niet dat deze Jezus iets gedaan heeft. Drie keer zegt hij: Ik zie niet waaraan deze man schuldig is. Maar hij wil de Joden ook te vriend houden. Dus probeert hij er op een indirecte manier uit te komen. Als we die Jezus nou vrijlaten, zoals ik met Pesach elk jaar iemand vrijlaten?

Maar de Joden kiezen voor Barabbas – een echte misdadiger.

Pilatus probeert het weer. Als we Jezus nu eens geselen en belachelijk maken. Moet je Hem daar zien staan – met zijn doornenkroon, zijn purperen koningsmantel, met rode striemen van de geseling. Zeg nou zelf – dit is toch geen opstandeling, geen misdadiger? Kom op zeg, jullie zien toch ook wel dat die Jezus niks gedaan heeft?

Maar de hogepriesters en hun gerechtsdienaars beginnen te schreeuwen: Kruisig Hem! Kruisig Hem!

Pilatus wil niet.

Dan moeten de Joodse leiders eerlijk erkennen wat hun probleem met deze Jezus is. ‘Hij zegt dat Hij de Zoon van God is. Volgens onze wet moet je dan sterven.’

Pilatus schrikt. In wat voor religieus wespennest is hij nu beland? Wat is die Jezus voor een mens? Met zijn koningschap dat niet bij deze wereld hoort?

‘Waar komt u vandaan?’ vraagt hij Jezus.

Hij raakt geïrriteerd. ‘Weet u dan niet dat ik macht over u heb? Ik kan je maken of breken, man! Ik kan je de doodstraf geven en ik kan je laten gaan!’

En dan komt er weer zo’n raadselachtig antwoord.

Pilatus heeft er geen goed gevoel bij. Wat is dit, een godenzoon? Die Jezus moet hier weg.

Maar de Joden zetten hem schaakmat. ‘Als u die man vrijlaat, gaan wij naar Rome. Dan zeggen we tegen de keizer dat u een opstandeling hebt laten lopen.’

Pilatus weet: dat kost hem zijn baan.

Dan geeft hij toe. Zijn positie wil hij in elk geval niet kwijt.

Dan Jezus maar kruisigen.

De Joden hebben gewonnen.

2. Wat een kleinmenselijk gedoe, hè?

Als je het zo leest, dan zie je hoe ze zichzelf veroordelen.

Jezus zegt dat Hij gekomen is om van de waarheid te getuigen. Pilatus zegt sceptisch: Wat is waarheid? 18,38. En zo doet hij ook. Zijn eigen positie is belangrijker dan de waarheid.

En de Joodse leiders? Hoor ze het zeggen aan het eind, die geestelijk leiders van Israël: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer. Die gehate keizer van Rome, dat is ons hoogste gezag.’ Waar is hun verlangen naar Gods rijk, naar Gods koning?

Pilatus, de Joodse leiders, ze veroordelen zichzelf.

Zijn wij zo anders?

Het deed mij bijvoorbeeld denken aan ons hier in ‘De Voorhof’.

Wat zijn verhoudingen hier kwetsbaar. Wat beland je gauw in getouwtrek. Ik ga hier voor – en ik maak me breed. Ik ga daar voor – en ik laat me niet kisten. Misschien wel met grote ijver voor Gods zaak, net als de Joodse leiders. Machtsstrijd. Langs elkaar heenlopen en elkaar niet groeten. Weglopen. Negatieve verhalen vertellen. Roddelen. Elkaar als tegenstanders zien. Niet kunnen toegeven. Boosheid. Een te klein geloof om naar anderen toe te stappen. De lieve vrede bewaren. Eenheid zoeken buiten Christus om, in wat wij als groepje samen belangrijk vinden. Kleinmenselijk gedoe. Kleinmenselijke mechanismen.

Lijkt de kerkenraad, lijk ik, op Pilatus? Wie niet?

Wie lijkt er dan op de Joden? Wie niet?

En wie wordt daar dan het slachtoffer van? Wie niet?

Op wie lijk ik?

In wie herken jij je?

Geef niet te snel antwoord op deze vragen.

Heb niet te snel medelijden met jezelf. Wijs niet naar anderen.

Beproef jezelf. Hoe kleinmenselijk ben ik? Ben jij?

Jezus is naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen.

Die waarheid is ook: Wij mensen, met ons kleinmenselijk gedoe, wij verdienen Gods oordeel.

De Geest komt om ons te overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel, staat in Johannes 16,8. Laat je door de Geest overtuigen van zonde, van gerechtigheid, van oordeel.

En ontdek steeds weer: Jezus, mijn Heer, wat heb ik u nodig.

Wat hebben wij als gemeente Jezus Christus nodig.

Lieve mensen, zonder Jezus gaan wij verloren.

Zonder Jezus gaan wij met ons kleinmenselijk gedoe verloren.

Elke dag heb je Jezus weer nodig. Elke dag. En dat blijft zo tot in eeuwigheid.

Want God heeft zijn Zoon gegeven opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

 

3. God heeft zijn Zoon gegeven.

Hoe kleinmenselijk het in ons leven en daar in Johannes 19 ook allemaal toegaat. God is aan het werk.

Luister maar naar wat Jezus zegt in 19 vers 11:

De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft, de meeste schuld.

Wat betekent dat?

Pilatus, jij die voor je eigen positie gaat, jij maakt jezelf daardoor schuldig.

De Joodse hogepriesters, die mij uitleveren, die zijn nog schuldiger.

Maar menselijke schuld heeft niet het laatste woord.

God is er ook nog. De enige macht die Pilatus heeft om Jezus ter dood te veroordelen, komt van God. God is hier aan het werk. God die zijn Zoon geeft. Als het lam van God dat de zonde van de wereld wegdraagt.

Dat kan God en dat doet God dus – Vader en Zoon werken hier samen. Samen zijn ze bezig om in alle kleinmenselijke gedoe, waar mensen zichzelf veroordelen, hun eigen plan uit te voeren. Met een wonderlijke wijsheid. Met een levensgrote liefde.

Terwijl mensen laten zien hoe ze vastlopen. Terwijl mensen zichzelf veroordelen.

In dat gebeuren laat de Zoon zich veroordelen.

‘Hier is Hij, de mens’. Zie, de mens.

Moet je ‘m zien staan – mislukt, zielig, schuldig.

Hij getuigt van de waarheid en draagt daar de diepe pijnlijke gevolgen van.

Hij is een koning – een koning die de schuld van zijn onderdanen op zich neemt. Eén man die sterft voor het hele volk.

Hij laat zich tot zonde maken.

God wordt een misdadiger. Gods Zoon moet sterven omdat Gods wet hem veroordeelt.

Ja, dat zeggen de Joden:

‘Wij hebben een wet die zegt dat Hij moet sterven omdat Hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’

Inderdaad zeggen de wet en de profeten dat de Zoon van God moet sterven. Om de schrift helemaal in vervulling te laten gaan.

En Hij doet het.

Daar leven wij van – persoonlijk en samen, hier, gemeente in ‘De Voorhof’. En iedereen die hier te gast is net zo goed. Alleen zo kunnen wij leven.

Alleen hier vinden wij leven – waar God ons liefheeft en daarom zijn eigen Zoon geeft als verzoening van onze zonden. En niet alleen die van ons, maar de zonden van de hele wereld.

Hier zien wij onze schuld, net als Pilatus, net als de Joodse hogepriesters en hun gerechtsdienaars. Hier veroordelen wij onszelf als we anderen veroordelen.

Maar hier wordt ons ook van boven iets geweldigs gegeven: God geeft zijn Zoon om onze schuld te bedekken en weg te doen.

 

4. Daarom zijn wij hier. Wat bij Pilatus geldt, dat geldt ook hier. In alle kleinmenselijke gedoe heeft God alle macht.

Hoe klein en kwetsbaar onze verhoudingen ook zijn, die God is er ook nog. En wie in zijn Zoon gelooft, die gaat niet verloren.

Dat moeten we elkaar voorhouden. Niet die anderen allemaal voor stoms doen. Wat er mis gaat. Blijf niet hangen in een negatieve spiraal. Hier bij het kruis van Jezus Christus is die negatieve spiraal doorbroken. Hij is doorbroken.

Zie wat ons van boven gegeven wordt.

Zie wat jij persoonlijk van boven krijgt.

Vertel dat aan elkaar en bemoedig elkaar daar mee.

Laat je zelf bemoedigen door wat Jezus zegt. Als je het moeilijk hebt. Door ruzie, door ziekte, als het tegen zit. De enige macht die anderen over jou hebben, de enige invloed die ziekte en tegenslag in jouw leven hebben, is hen van boven gegeven. God leidt ons leven. Want God is de Vader van Jezus Christus – en onze Vader.

En God draagt zelf ons lijden. Hij heeft het ondergaan, dieper, erger, intenser, dan wij het mee hoeven te maken. Want God is ook Jezus Christus, de Zoon. Onze goede herder.

Geloof in Hem, dan ga je niet verloren.

Geloof in Hem, dan ben jij in Hem en dan is Hij in jou.

Als Hij in jou is en jij in Hem, dan lijk je niet meer op Pilatus. Of op de Joden. Als Jezus in jou en mij woont, dan wordt in jou en in mij Jezus zelf zichtbaar. Dat kan en dat gebeurt.

Waar Jezus Christus werkelijk centraal staat. Waar wij niet onze koninkrijkjes bouwen. Maar Gods rijk zoeken, dat niet van deze wereld is. Waar wij in vertrouwen op Hem bouwen. Daar krijgen wij de rust en de vrede van Jezus zelf. Daar worden wij getuigen van zijn waarheid. Daar zetten mensen zich in – voor allerlei activiteiten, in omzien naar elkaar. Wat zijn er veel mensen die wat doen, hier. Daar komen we bij elkaar rond Jezus Christus. En anderen doen met ons mee, steeds weer.

Kijk steeds naar Jezus Christus. Zie Hem voor Pilatus: ondanks alle gesol, ondanks zijn pijn, bleef Hij vertrouwen op zijn Vader. Hij bleef gehoorzaam. Hij bleef van ons houden.

Eet zijn lichaam en drink zijn bloed – zoals we net gedaan hebben.

Geloof in Hem – Gods liefde Zoon, het lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt.

Dan ben je in Gods liefde. Dan ga je niet verloren!