Johannes 18-19 | De koninklijke weg

Mark Veurink
Mark Veurink
30 maart 2018

Johannes 18-19 | De koninklijke weg

image_pdfimage_print

Wat laat Jezus’ weg naar het kruis zien? Van een afstandje lijkt Jezus het slachtoffer. Maar als je luistert naar wat Jezus zegt, hoor je een opmerkelijke kracht. Dit is de weg van een koning!
Voor wie deze meditaties in een kerkdienst wil gebruiken: graag ontvang ik een melding op hmveurink@gmail.com.

Liturgie
Stil gebed
Votum en groet
Zingen: GKB Gezang 90 : 1
Gebed
Introductie
Lezen: Johannes 18 : 1 – 11
Meditatie 1: Jezus en de soldaten
Zingen: GKB Psalm 27 : 1 en 2
Lezen: Johannes 18 : 12 – 24
Meditatie 2: Jezus en Annas
Zingen: LvK Gezang 178 : 1, 6 en 7
Lezen: Johannes 18 : 25 – 40
Meditatie 3: Jezus en Pilatus I
Zingen: LvK Gezang 281 : 1, 3 en 4
Lezen: Johannes 19 : 1 – 16a
Meditatie 4: Jezus en Pilatus II
Zingen: LvK/GKB Psalm 2 : 1 en 4
Lezen: Johannes 19 : 16b – 30
Doven Paaskaars
Meditatie 5: Missie volbracht!
Zingen: GKB Psalm 22 : 13 en 14
Lezen: Johannes 19 : 31 – 42
Zingen: LvK Gezang 195 : 1, 4 en 5
Gebed
Collecte
Zingen: LvK Gezang 192 : 1, 2, 5 en 6
Zegen

De koninklijke weg

Introductie
Vanavond staan we stil bij het evangelie van het kruis.
We luisteren naar het verslag van Johannes 18 en 19,
en denken daar in verschillende meditaties verder over na,
naar aanleiding van verschillende uitspraken van Jezus.
Van een afstandje lijkt het misschien dat Jezus een weerloos slachtoffer is.
Maar in de uitspraken van Jezus schuilt een opmerkelijke kracht.
Jezus is geen slachtoffer, maar de koning op weg naar zijn troon.
De weg van het kruis is de koninklijke weg!

Jezus en de soldaten
Ze hebben het zekere voor het onzekere genomen.
Vanavond zal Jezus niet ontsnappen.
De hogepriesters hebben een overmacht aan soldaten gestuurd
om er zeker van te zijn dat ze Jezus arresteren.
De ingangen van de Olijfgaard worden bewaakt,
voor het geval Jezus het in zijn hoofd mocht halen te vluchten.
Aan alles is gedacht, zelfs aan fakkels en lantaarns,
voor als Jezus zich in de tuin zou verstoppen.
Nee, dit kan niet meer mis gaan!

Of wel soms?
In de eerste confrontatie met Jezus wordt duidelijk hoe de verhoudingen liggen.
Jezus weet dat ze er aan komen,
neemt het heft in eigen handen, stapt op en af, en vraagt vriendelijk:
‘heren, zijn jullie naar iemand op zoek, kan ik jullie helpen?’
De soldaten zijn op hun hoede:
‘is dit hem nou of niet?
Hij lijkt op Jezus, maar hij zal toch niet zo stom zijn
om regelrecht onze armen in te lopen?’
Ze geven antwoord: ‘we zoeken Jezus uit Nazareth’.
Dan zijn ze aan het goede adres, en Jezus antwoordt: ‘ik ben het’.
Meteen vallen ze omver, op de grond.

Wat is dit?!
Ze waren nog wel met zo’n overmacht gekomen, zodat niets mis kon gaan.
maar nu heeft Jezus de touwtjes in handen!
Nu is er wel iets bijzonders met die woorden, ‘ik ben het,’ aan de hand.
Juist in Johannes komen die woorden ‘ik ben’ steeds terug.
‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ ‘ik ben de goede herder,’ enzovoort.
Steeds als Jezus ‘ik ben’ zegt, maakt hij zichzelf bekend.
Dan wordt iets van zijn majesteit zichtbaar.
Een verpletterende majesteit, die de soldaten op de grond werpt.
Tegenover Jezus zijn de machtige soldaten machteloos.

Maar Jezus loopt niet weg.
Eerder wel, in Johannes 8:
‘Toen raapten ze stenen op om naar hem te gooien.
Maar Jezus wist onopgemerkt uit de tempel te ontkomen.’
Dat kunstje had hij kunnen herhalen, maar hij doet het niet.
Hij wacht tot de soldaten weer zijn opgekrabbeld,
en het gesprek herhaalt zich: ‘ik ben het’.

Jezus neemt de leiding, en laat zich arresteren.
Daarbij bedingt hij nog een vrije aftocht voor zijn vrienden.
Maar zelf gaat Jezus met de soldaten mee.
Doelbewust: dit is de weg die hij gaan moet.
Hij moet de beker drinken die de Vader hem gegeven heeft.
De beker van vernedering, van lijden en van dood.
Want zo kan hij jou redden.

Jezus en Annas
Ook al heeft Jezus duidelijk laten merken dat hij heus niet zal ontsnappen,
toch wordt Jezus geboeid afgevoerd.
De eerste die hij te spreken krijgt is Annas,
een voormalig hogepriester.
Aan Annas de eer om Jezus aan het praten te krijgen.

Dat is nodig, want ze hebben niks.
Nou ja, ze hebben Jezus, maar er is geen aanklacht!
Het is natuurlijk niet de bedoeling dat Jezus in de loop van de dag
alweer op vrije voeten gesteld moet worden.
Het is aan Annas Jezus te ondervragen, om te vissen naar strafbare uitspraken,
en dan de aanklacht klaar te maken.
Maar het oordeel ligt natuurlijk bij voorbaat al vast.

Annas wil je niet tegenover je hebben.
Hij kijkt dwars door je heen
met ogen waar werkelijk niets van af te lezen valt.
En je weet: hij kan met je doen wat hij maar wil,
je bent overgeleverd aan zijn genade,
en laat hij nou net niet om zijn genade bekend staan…

Maar Jezus is niet onder de indruk.
Zoals hij er bij zijn arrestatie boven stond, zo ook nu.
Annas stelt een algemene openingsvraag,
maar Jezus gaat er niet op in.
‘U weet toch wel waarom u mij hebt laten oppakken?
Ik heb geen geheimen, u vraagt naar de bekende weg.
U weet wie ik ben, u weet wat ik gezegd en gedaan heb,
dus waarom ondervraagt u mij nog?
En als u echt de aanklacht niet op orde hebt,
dan weet u toch wel dat niemand tegen zichzelf hoeft te getuigen?
Misschien kunt u beter andere getuigen oproepen!’

Jezus maakt duidelijk dat deze hele zitting niet deugt.
Maar daar laat hij het ook bij.
Jezus gaat niet in discussie.
Hij draagt geen redenen aan
waarom hij onmiddellijk vrijgelaten zou moeten worden.
Jezus heeft de touwtjes in handen,
en láát het onrecht over zich heenkomen.
Precies zoals hij het altijd onderwezen heeft.
Jezus kiest ervoor deze schijnvertoning te ondergaan.

Jezus en Pilatus I
Uiteindelijk wordt Jezus uitgeleverd aan Pilatus,
de stadhouder van de Romeinen.
Pilatus houdt zich graag verre van de Joodse godsdienst,
en met het Joodse volk heeft hij ook niets.
Hij baalt ervan dat hij naar Jeruzalem gedetacheerd is.

Pilatus zit niet op Jezus te wachten.
Zijn eerste vraag aan de Joodse leiders is dan ook:
‘waar wordt deze man eigenlijk voor aangeklaagd.?’
We hebben al gezien dat dat een gevoelig punt is: er is geen aanklacht.
De Joden komen dan ook niet met een aanklacht,
maar bluffen: ‘u weet toch wel dat we hem nooit bij u hadden gebracht
als hij geen misdadiger zou zijn?’
Uiteindelijk trekt Pilatus aan het kortste eind,
en moet ook hij Jezus ondervragen.

En dan komt voor het eerst in deze hoofdstukken het woord ‘koning’ voorbij.
Pilatus vraagt: ‘dus u bent de koning van de Joden?’
De vraag verraad dat Pilatus precies weet waarom de Joden Jezus uitleveren:
omdat Jezus beweert dat hij de messias is.
Maar in godsdienstige zaken heeft Pilatus geen interesse.
Voor hem telt maar één ding:
is deze koning een bedreiging voor de keizer?
Als hij dat niet is, is alles best.
Trouwens, nu Pilatus Jezus zo ziet
kan hij zich niet voorstellen dat Jezus een bedreiging zou zijn.

Weer laat Jezus merken dat hij er boven staat:
‘waarom stelt u deze vraag eigenlijk?
Kan het u werkelijk iets interesseren of ik de koning van de Joden ben,
of is deze vraag u door de Joden ingegeven?’
Schoorvoetend moet Pilatus toegeven.
Maar Jezus blijft welwillend:
‘terug naar de vraag: u wilde weten of ik koning ben.
Ja, dat ben ik, maar mijn koninkrijk is niet van hier.
Ik ben een ander soort koning.
Geen koning met politieke ambtities.
Anders had ik mijn vrienden wel voor me laten vechten in de Olijfgaard.
U weet wat daar gebeurt is toch?
Uw soldaten konden niet tegen me op, en toch ben ik meegegaan.
Want ik ben koning van Gods nieuwe wereld.
Dit hele proces kan dat niet tegenhouden.’

‘Mijn koninkrijk hoort niet bij deze wereld.’
Belangrijk om dat in de gaten te houden.
Om geen verkeerde, bijvoorbeeld politieke, verwachtingen van Jezus te hebben.
Ja, in deze wereld wordt al iets van zijn koninkrijk zichtbaar,
maar dat koninkrijk is niet van hier!

Jezus en Pilatus II
Het zal Pilatus allemaal een zorg wezen.
Nee, hij gelooft niet dat Jezus iets verkeerd heeft gedaan.
Maar als die Joden hun zinnen op hem hebben gezet,
dan krijg je het niet meer uit hun hoofd gepraat.
Hij zal de Joden hun zin wel weer geven.

Nu komen de Joden eindelijk wél met een aanklacht op de proppen:
Jezus heeft zich de Zoon van God genoemd,
en volgens de Joodse wet betekent dat dat Jezus moet sterven.
Nu krijgt Pilatus het Spaans benauwd.
Hij is helemaal niet blij dat er nu een aanklacht ligt.
Nee: hij vraagt zich juist af of hij hier zijn vingers wel aan wil branden.
Als Romein kende hij uit zijn eigen godsdienst
genoeg verhalen van goden die kinderen op aarde verwekten.
Zou Jezus in directe verbinding staan met de godenwereld?
Pilatus doet nog een laatste poging Jezus te redden.
Hij begint een nieuwe ondervraging, ‘waar komt u vandaan?’,
maar Jezus zwijgt.

‘Maar Jezus,’ zegt Pilatus, ‘weet je dan niet dat je in mijn handen bent?
Ik ben je laatste kans om het hier levend vanaf te brengen,
dus werk toch met me mee!’
En weer reageert Jezus koninklijk:
‘beste Pilatus, u kunt wel denken dat u machtig bent,
maar de enige macht die u hebt, is u door God gegeven.
U bent niet mijn laatste kans dit te overleven.
Ik ben in Gods handen, en wat hij wil, zal gebeuren.’
Pilatus wordt er radeloos van:
tegenover Jezus voelt hij zich helemaal niet zo zeker,
het lijkt wel alsof Jezus hem ondervraagt in plaats van andersom.

Wat Pilatus niet zal hebben beseft,
is dat Jezus hier verwijst naar zijn eerdere woorden, in Johannes 10:
‘Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf.
Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen –
dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen.’

Laat Pilatus zijn plek kennen!
Net als wij trouwens.
Laten wij ook onze plek kennen.
Beseffen dat God groter is dan wij,
en dat God niet van ons afhankelijk is.
Niet wij zijn koning, maar Jezus!

Missie volbracht!
Pilatus heeft zijn macht niet aangewend om Jezus van de kruisdood te redden.
Als Jezus niet meewerken wil, moet hij dat zelf weten,
maar Pilatus heeft hem in ieder geval een kans gegeven.
Zelf is Pilatus er wel klaar mee: hij heeft meer te doen vandaag.
Hij geeft Jezus mee aan de hogepriesters en zijn eigen soldaten,
om Jezus te kruisigen.
En zo gebeurt het.

Jezus lijkt slachtoffer,
van het Joodse complot en van Pilatus’ willekeur.
Maar vlak voor Jezus zijn hoofd buigt en de geest geeft,
maakt hij nog één keer duidelijk dat hij geen slachtoffer is,
maar dat dit de weg is die hij moest gaan.

Aan het kruis rondt Jezus zijn taken op aarde af.
Zijn taak om te sterven voor de schuld van de wereld.
Maar ook zijn taak om te zorgen voor zijn moeder,
van wie wordt aangenomen dat ze weduwe was.
De oudste zoon heeft de plicht voor zijn moeder te zorgen.
Die zorg draagt Jezus over aan zijn beste vriend: Johannes.
Als hij dat gedaan heeft, weet Jezus dat zijn werk klaar is.

Dat zijn ook Jezus laatste woorden: ‘het is volbracht’.
Dit is geen zucht van verlichting,
‘gelukkig, dat hebben we maar weer gehad’,
dit is niet het ongelukkig einde van een veelbelovende man.
Nee, Jezus roept uit: ‘mijn missie is volbracht!’
Zoals het in het Engels zo mooi klinkt: mission accomplished.
De taak, de missie, die de Vader Jezus te doen had gegeven is voltooid.
Denk niet dat dit Jezus overkomt: zijn sterven is zijn laatste daad.
Om nu voorgoed het kwaad van zijn kracht te beroven.
Nu is duidelijk dat Jezus niet alleen boven alle menselijke vijanden staat,
de Joodse hogepriesters, Pilatus,
maar zelfs boven de gevaarlijkste vijand: de duivel.

Nu kan Jezus zijn troon innemen, nu kan hij koning worden.
De weg van het kruis bleek de koninklijke weg.
Het laatste offer is gebracht, nu kan er iets nieuws beginnen!
‘Het is volbracht’: het is de overwinningskreet van Jezus.
Het is misschien wat vreemd,
op Goede Vrijdag zijn we niet in een jubelstemming,
maar met Jezus mogen we ook vandaag al juichen:
Jezus heeft zijn missie volbracht!