Genesis 20 – Kleingeloof, angst? In Christus is het ja en amen

Hans Burger
Hans Burger
11 juli 2010

Genesis 20 – Kleingeloof, angst? In Christus is het ja en amen

image_pdfimage_print

Abraham II (2)

Liturgie

Voorzang Gez 165
Stil gebed
Votum
Groet
Zingen Ps 31.1.2.14
I.p.v. wetslezing: Kolossenzen 3,1-17
Zingen Gez 22,1.2.4
Gebed
Lezen:
- Genesis 12,10-20
- Genesis 20
Zingen: Ps 105,2.3.4
Preek over Genesis 20
Zingen: LB 434,1.2.5
Gebed
Collecte
Zingen Ps 118,1.3.5
Zegen

Opmerking:

- Ik vind het prettig om het even van te voren te horen wanneer deze preek ergens in een kerkdienst gelezen wordt. In mijn mailbox past altijd nog wel een mailtje: hansburger@filternet.nl

Preek over Genesis 20 – Kleingeloof, angst? In Christus is het ja en amen

1. Wat kun je jezelf of anderen als gelovige soms tegenvallen. Dat je weer eens onderuit gaat op je zwakke punt. Wat zijn jouw zwakke punten? Dat het soms een tijd goed gaat, en dat je dan weer in je oude fouten terugvalt?

En dan denk je: Kom ik weer – God, wilt u me vergeven? En ik weet eigenlijk al dat ik weer de fout in zal gaan.

Herken jij, dat dat juist vaak gebeurt na een geestelijke topervaring? Je hebt samen met God iets geweldigs meegemaakt. En juist dan ga je onderuit. Ik hoorde pas iemand zeggen dat dominees geestelijk het meest kwetsbaar zijn na een bijzondere zondag. En dat herken ik. Wat volgt er juist vaak na een geestelijk hoogtepunt een geestelijk dieptepunt. ‘Laat me nu even met rust, Heer. Nu kies ik even voor mezelf’. Herken jij dat?

Je ziet het bij Abraham ook gebeuren. Genesis 17 en 18: het zijn twee hoogtepunten vlak na elkaar, lees het thuis maar eens na. God sluit opnieuw een verbond met Abraham. Hij stelt het teken van de besnijdenis in. Abraham krijgt opnieuw geweldige beloften. In Genesis 18 komt God speciaal bij Abraham langs om hem te beloven: over een jaar zal Sara een zoon hebben. Abraham mag merken: God laat mij delen in zijn geheimen. Op een heel bijzondere manier mag Abraham bidden voor Sodom en Gomorra. Het ene na het andere hoogtepunt.

En dan, in dat jaar waarin het moet gebeuren, dat Sara zwanger zal worden en een kind zal krijgen, wat valt Abraham dan weer terug in een oude fout. De oude Abram was geen dappere man. Niet echt een moreel hoogstaand iemand. Voor alles was hij bezorgd om zijn eigen hachje. Stel je voor dat er iets zou gebeuren wat hem in gevaar zou brengen. Zijn eigen hachje was belangrijker dan Sara’s eer. Zo was hij al een keer in Egypte haar bijna kwijtgeraakt. ´Saraï, je bent een bloedmooie vrouw. Zeg maar dat je mijn zus bent. Dan zullen ze mij in elk geval niet doden.´ En toen was Abram zijn vrouw opeens kwijt – ze zat in de harem van de Farao. Gelukkig had God ingegrepen en was het allemaal goed gekomen.

En nu, in het jaar dat Sara in verwachting moet raken – Abraham doet het weer net zo. En weer werkt hij zich in de nesten. Nu zit Sara in Gerar in de harem van koning Abimelech. Hoe moet ze nu ooit in verwachting raken, een kind krijgen van Abraham?

2. Tja, Abraham was bang. Hoe zouden de mensen in Gerar zijn? Achteraf zegt hij tegen Abimelech (vers 11):

‘Ik dacht: Misschien heeft men in deze streken geen ontzag voor God en zullen ze me doden om mijn vrouw.’

Hij was bang dat de mensen er van God los waren, dat ze zich van God noch gebod iets aan zouden trekken. Hij was bang in een soort Sodom en Gomorra te belanden.

Dus maakt hij zich los van Sara – ‘zeg maar niet dat je mijn vrouw bent. Stel je voor dat ze mij doden.’ Maar wat gebeurt er met Sara? Daar heeft Abraham het niet over. Wat gebeurt er met Gods plan – ze zullen toch samen een kind krijgen? Daar denkt Abraham niet over na. Hoe ging het de vorige keer mis? Dat is Abraham vergeten, hij heeft er niet van geleerd. Er is maar één ding dat telt – misschien zullen ze mij doden.

Wat schat hij de situatie nu verkeerd in. Hij denkt: de mensen hier zullen wel geen ontzag voor God hebben.

Kijk dan eens wat het centrum van het hoofdstuk is, tussen de droom van Abimelech en het gesprek tussen Abimelech en Abraham in. Dat is vers 8:

De volgende morgen riep Abimelech in alle vroegte zijn dienaren bij zich en vertelde hun wat er was gebeurd; de schrik sloeg hun om het hart.

Als er bij de mensen in Gerar iets juist wel is, is het ontzag voor God. En Gods gebod? Kijk hoe Abimelech optreedt – oprecht, nobel, vrijgevig, gastvrij – als een rechtvaardige zou je zeggen. De vorige keer dat Abraham in Egypte oneerlijk was geweest over Sarai en ook gezegd had: ze is mijn zus, was Farao kwaad geweest. Hij had hem direct het land uit gegooid. Abimelech reageert zo anders. Hij blijft beleefd. Hij overlaadt Abraham met kado’s. Abraham mag overal in het land wonen, waar hij maar wil. Abraham was veel te bang voor mensen.

Denk aan Spreuken 29,25:

Angst voor mensen is een valstrik,

wie op de HEER vertrouwt, wordt beschermd.

Maar wat vind ik het herkenbaar. Als je bang wordt, wat kun je dan snel veel te negatief naar mensen om je heen kijken. Mensen als een bedreiging zien, terwijl ze dat helemaal niet zijn. Gaan voor je eigen hachje, en wat er met de anderen gebeurt? Daar denk je niet eens over na. Niet eerlijk zijn, niet het achterste van je tong laten zien – stel je voor dat je problemen krijgt.

3. Angst voor mensen – het betekent altijd direct dat je God vergeet. In Spreuken 29 staat het niet voor niets tegenover elkaar: angst voor mensen – of op de HEER vertrouwen.

Abraham had genoeg reden om op God te vertrouwen. De vorige keer toen Abram zijn vrouw Saraï bijna kwijt was, dat was in Genesis 12, helemaal aan het begin van zijn leven met God. Maar had Abraham inmiddels God niet beter leren kennen? Wat had hij samen met God niet allemaal meegemaakt?

Hij had gevochten met Kanaänitische koningen, lees Genesis 14. En met Gods hulp had hij gewonnen. God had hem gezegd (Genesis 15,1):

‘Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen. Je loon zal vorstelijk zijn’

God had hem gezegd dat Hij niet verder wilde met Ismaël, de zoon van Hagar. Abrahams eigen vrouw Sara zou een kind krijgen. Binnen een jaar. Wat zou er dan kunnen gebeuren met hem en Sara? Wat zouden ze hem in Gerar kunnen doen?

Genoeg met God meegemaakt, genoeg gehoord, zodat Abraham wel moest weten: er kan mij in Gerar nu niks gebeuren.

Maar Abraham is het allemaal vergeten. Hij valt terug in een oude fout – terwijl hij kan weten: dan werk ik mezelf alleen maar in de nesten.

Stomme Abraham?

Ach – wie Abraham veroordeelt, veroordeelt die niet ook zichzelf?

Hoe vaak vergeet jij, vergeet ik wat God gezegd heeft?

Wat zegt Paulus niet allemaal, bijv in Kolossenzen 3.

U bent met Christus gestorven en opgestaan.

U hebt de oude mens met zijn manier van leven uitgetrokken.

U hebt de nieuwe mens aangedaan.

God heeft jullie gekozen.

God houdt van jullie.

Leef dan als nieuwe mensen.

Hoe vaak gebeurt het niet dat je het vergeet? En dat je jezelf hoort schelden, dat je driftig wordt, dat je hebberig bent, dat je hart vol is van twijfel of cynisme?

Dat je weer terugvalt in je oude fout? En later denkt: ik durf eigenlijk niet te bidden. De HEER ziet me weer komen… Weer vergeving vragen voor hetzelfde…

Kleingeloof.

Vergeten wat God gezegd heeft.

Leven alsof God ons niet zoveel belooft.

Terugvallen in oude patronen.

Bang, laf, egoïstisch, trots…

Ik vind het zo herkenbaar wat er met Abraham gebeurt. Angst voor mensen. Kleingeloof.

Hoe is dat bij jou?

En voor je het weet loop je God gigantisch in de weg. Hoe moet Gods belofte nu werkelijkheid worden? Abraham kan geen kind van Sara krijgen – want Sara is weg. Als jij de zonde weer teveel ruimte hebt gegeven, hoe kun jij dan leven als nieuwe mens?

4. Wat zou God nu doen?

Zou God nu zeggen: Abraham, ik heb je iets beloofd. Als jij niet meewerkt, als jij het mij onmogelijk maakt, dan zoek je het zelf maar uit.

Zou Hij boos worden – Abraham, jij dacht dat ze in Gerar geen ontzag voor mij hebben. Volgens mij heb jij zelf geen ontzag voor mij! Je was rechtvaardig door je geloof – door je ongeloof ben je nu onrechtvaardig. Ik wil niks meer met je te maken hebben.

Zou God met de handen in het haar zitten – nu kan ik er niet voor zorgen dat Sara zwanger wordt van Abraham? Straks is ze zwanger en weten we niet wiens kind het is – van Abimelech of van Abraham!

Wat zou jij verwachten?

Wat denk jij als jij zelf God in de weg loopt. Als je terugvalt en weer eens onderuit gaat? Als je niet staat in je geloof, maar bang en kleingelovig bent?

Moet je eens kijken wat God doet.

Hij staat niet werkeloos toe te kijken. Hij houdt de regie en Hij grijpt in. Abimelech wordt ziek. Zijn vrouwen en bijvrouwen worden ziek. Zo ziek dat Abimelech niet met Sara kan slapen. Sara zal niet zwanger raken van de koning van Gerar.

En Abimelech, de koning, krijgt een droom. Denk je dat God alleen gelovige mensen aan kan spreken? Ieder mens, of die nu bij Gods volk hoort of niet, kan door God aangesproken worden – in een droom, of op een andere manier. Zo gebeurt het tot op de dag van vandaag – tegenwoordig vaak in landen in Arabische wereld, als Moslims Jezus in een droom zien.

Hier is het Abimelech die door God ter verantwoording geroepen wordt.

‘Abimelech, je bent ten dode opgeschreven. Je hebt die vrouw naar je paleis gehaald – ze is getrouwd. Geef Sara terug aan Abraham!’

Weet je nog wat God tegen Abraham had gezegd (Genesis 15,1):

Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen.

Hij doet het – Abraham beschermen als een schild.

Hij laat zich gelden.

En de mensen in Gerar vrezen Hem. De schrik sloeg hun om het hart.

Wat een machtige God hebben wij!

Een God om diep ontzag voor te hebben.

Hij is er. Hij is groot en machtig.

Bang voor mensen? Wie op de HEER vertrouwt, wordt beschermd. En bij Abraham zie je: ook wie te weinig op de HEER vertrouwt, wordt beschermd.

Of denk je nu: dat was toen. Bij Abraham.

Bij mij zal dat vast niet zo gaan. Waarom zou God mij zo helpen?

5. Waarom zou God Abraham wel helpen en jou niet?

Moet je eens kijken wat God tegen Abimelech zegt over Abraham, in vers 7.

Maar geef haar nu terug aan haar man, want hij is een profeet en kan voor je bidden, en dan zul je in leven blijven.

God zegt niet: ‘Ja, die Abraham, het is een lafaard en een leugenaar, maar hij hoort nu eenmaal bij mij.’

God zegt ook niet: ‘Je blijft van de vrouw van Abraham af, want als je aan Abraham komt, kom je aan mij.’

God is tegen Abimelech alleen positief over Abraham. Abraham blijft een profeet en een rechtvaardige bidder. Als Abraham voor jou bidt, dan zal het goed komen.

Dat is wonderlijk!

Ondanks zijn terugval in zonde, ondanks zijn zwakte, zijn angst, zijn kleingeloof, blijft Abraham een profeet van God. Is het gebed van Abraham de weg naar Abimelechs genezing.

Zou dat bij ons anders zijn? Als wij in de grote nakomeling van Abraham, Jezus Christus, de zegen van Abraham krijgen?

Natuurlijk, God ziet onze zonde. Hij weet ervan. Hij ziet ook hoe we ons in de nesten kunnen werken soms, door angst, door kleingeloof.

Maar, bij ons gaat het net zo als bij Abraham.
Want als wij tot geloof gekomen zijn, dan zijn we in Christus.

Dan houdt God ons vast.

Dan zorgt God er voor dat we in Christus zijn en in Christus blijven.

En in Christus is het ja en amen.

Kijk in 2 Korinte 1,19-20.

Jezus Christus belichaamt Gods ‘ja’. In hem worden al Gods beloften ingelost. In Hem zeggen we ook amen tot Gods eer.

Wat zijn wij gelukkig, met zo’n God! Wat ben jij gelukkig, als je in Jezus Christus gelooft!

En dus, als jij weer terugvalt in je zonde. Als jij weer diezelfde domme fout maakt. Als jij denkt: nu durf ik niet meer naar God terug te gaan. Dan kun je denken: ik stop maar met bidden. En zomaar gaan er een paar dagen voorbij, dat je niet meer bidt. Nee: wees niet wanhopig. Denk niet: Nu heeft God er wel eens genoeg van. Maar bidt. En vertrouw erop dat jij in Christus bent en dat jij net als Abraham in Christus een profeet blijft. En dat jij mag bidden in Jezus’ naam.

Want Jezus zelf is er. Hij is de grote profeet. De grote voorbidder. Hij bidt voor ons – zoals Abraham bad voor Abimelech. En je zult genezen worden van je zonde, zoals Abimelech genezen werd van zijn ziekte.

6. Wordt Abraham niet enorm door God beschaamd? Abraham was bang dat ze in Gerar geen ontzag voor God zouden hebben. Hij vergat Gods belofte. Hij dacht alleen maar aan zijn eigen hachje.

Wat laat God hem zien hoe goed en betrouwbaar Hij is.

Die bange Abraham, hij ontmoet eigenlijk alleen maar zegen.

Abimelech is boos, maar hij blijft redelijk. Hij scheldt Abraham niet de huid vol. Hij zegt niet tegen Abraham: Je kunt mooi praten, maar ik vind je verdediging zwak. Slappe praatjes! Het is dat ik je nodig heb – bid voor me. En dan: weg uit mijn land!

Abimelech is uiteindelijk juist enorm vriendelijk en gul. Kado’s stapelen zich op. Dieren, slaven, slavinnen. En een megabedrag aan zilveren sjekels. Weet je wat een normale bruidschat is? 50 sjekel. 1000 sjekel, dat zijn 20 bruidschatten. 20 bruidschatten. Dat geeft Abimelech om Sara eerherstel te geven.

Het lijkt wel of Abraham beloond wordt voor zijn oneerlijkheid.

Wat wil God hem daarmee duidelijk maken?

Hij wil laten zien: zie je wel, Abraham, dat je op mij kunt vertrouwen? Ik heb je een kind en een groot nageslacht en een land beloofd. Dat krijg je – en nog veel meer. Je loon is vorstelijk – zie je dat? Leer het van mij – ik ben echt betrouwbaar. Ik doe wat ik zeg. En meer dan dat.

Het lijkt wel op wat Paulus schrijft in Romeinen 8,32:

Zal hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met hem niet alles schenken?

Dat geldt voor iedereen die bij Abraham hoort, iedereen die net als hij gelooft – dus iedereen die in Jezus gelooft en één is met Hem. Hoor jij daar bij? Als dat zo is: Alles zal God ons schenken. Omdat Hij het heeft beloofd.

Laat je bemoedigen door deze God! Abraham valt terug in zijn fouten. Hij werkt zich in de nesten. Het lijkt of Sara toch geen kind van hem zal krijgen. Maar God is er. Kleingeloof, angst? God laat Abraham niet los.

Zo is het ook bij ons: in Christus worden Gods beloften vervuld. Dan is het ja en amen. Als wij blijven geloven, in Christus zijn, Christus de profeet die voor ons bidt, dan zul je het merken: God houdt je vast! Niets op aarde, ook mijn angst en kleingeloof niet, kunnen mij scheiden van de liefde van God in Jezus Christus.

Geloof en wees niet bang.

Angst voor mensen is een valstrik,

Maar wie in Christus gelooft, die zal merken: in Christus is het ja en amen!