Exodus 3-4 – God zal er zijn

Hans Burger
Hans Burger
22 augustus 2010

Exodus 3-4 – God zal er zijn

image_pdfimage_print

Gezinsdienst

Liturgie

Welkom
Voorzang

  • Maak een vrolijk geluid voor de Heer (Elly en Rikkert)
  • Opw voor Kids 18 (Ben je groot of ben je klein)
  • Gez 132 (Dank U voor deze nieuwe morgen)
  • Opw voor Kids 77 (God kent jou vanaf het begin)

Stil gebed
Votum
Zegen groet
Zingen: Gez 39 (Als je bidt zal Hij je geven)
Gebed
Schriftlezing: Ex 3:1-6 en Ex 3:13-17
Zingen: Psalm 23: 1 en 2
Preek (kinderen groep 1-8 voorin de kerk)
Zingen: Gez 168 ( ‘k Stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God)
Wet (gezongen)
Gebed
Collecte
Zingen: Opw voor Kids 185 (De Here zegent jou)
Zegen

Opmerking: Ik vind het prettig om het even van te voren te horen wanneer deze preek ergens in een kerkdienst gelezen wordt. In mijn mailbox past altijd nog wel een mailtje: hansburger@filternet.nl

Preek over Exodus 3-4 – God zal er zijn!

1. Zo. Daar zitten we dan. De vakantie is weer voorbij. Toch? Morgen gaan jullie weer naar school!

Zin in? Wie heeft er zin in?

Als je naar school gaat, dan neem je je natuurlijk een tas mee. Hebben jullie je tas meegenomen?

Laat ze eens zien aan de mensen in de kerk!

En wat zit er in die tas? Mag ik het eens zien?

Mooi!

Dan mogen jullie nu allemaal je tas hier voorin neerzetten. Helemaal goed.

Morgen begint er iets nieuws.

Misschien valt het wel mee – misschien zit je gewoon bij dezelfde meester of juf.

Maar het kan ook zijn – dat je voor het eerst naar groep 1 gaat.

Of… dat je naar groep 8 mag – dan ben je de grootsten op school! wie gaat er naar groep 8

En wie gaat er dit jaar leren lezen – in groep 3?

Spannend – aan iets nieuws beginnen.

Mozes ging ook iets nieuws doen. Dingen die hij nog nooit eerder had meegemaakt.

Kennen jullie het verhaal?

Hij liep net als elke dag met de schapen in het veld. Niet zoals bij ons in een lekker groen grasveld. Veel droger. Minder gras. Dus hij liep heel veel, steeds op zoek naar nieuw eten voor de schapen.

He, wat is dat daar? Kijk eens – daar staat een struik in brand – maar wat gek? De blaadjes blijven groen! De takken worden niet zwart.

Mozes gaat kijken. Hij loopt er naar toe.

Maar dan – een stem.

Mozes! Mozes!

Niet dichterbij komen!

Trek je schoenen uit.

De grond waar je staat is heilige grond…!

Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jakob.

Stel je voor – opeens, vlakbij, de stem van God!

En God zegt: Mozes, jouw volk is in Egypte.

Daar hebben ze het heel moeilijk.

Ik heb het gezien. En ik ga ze helpen.

Ik zal ze bevrijden. En ik breng ze naar het beloofde land!

En dus heb ik jou nodig: jij moet ze uit Egypte weg halen.

Dat heeft Mozes nog nooit gedaan.

Durft hij dat wel?

Kan hij dat wel?

Hoe moet dat?

Ik?

2. Jullie gaan weer naar school – Mozes gaat weer naar Egypte.

Zou Mozes het spannend vinden?

Ja – hij zegt : Maar wie ben ik? En wat moet ik doen als dit gebeurt? En hoe zal dat dan gaan? Kan ik dat wel?

Wie vind het spannend om naar school te gaan?

Hoe kijk je als je iets spannend vind? Zoals Mozes – of als je het spannend vind om naar school te gaan? Naast wie ga ik zitten? Hoe is de nieuwe meester? Kan ik het wel?

Mooi!

Nou, jullie vinden het misschien spannend, maar Mozes vond het ook spannend.

Hij was zelfs bang.

Ik durf niet!

Hoe kijk je als je bang bent? Probeer eens allemaal bang te kijken? Ik durf niet – ik ben bang – het gaat vast allemaal mis.

Allemaal bange Mozessen!

Dat vinden jullie, grote mensen, misschien grappig, maar probeer het je maar eens voor te stellen! Je moet naar Egypte, en je bent bang!

Hoe ga jij na de vakantie weer naar je werk? Ik hoorde pas iemand zeggen: dat voelt alsof je op een rijdende trein springt. Na een dag werken ben ik helemaal moe! Alle drukte, alle zorgen, alles is er weer. Het kan zomaar op je vallen.

Mozes was zo bang dat hij zei: Ik ga niet. Ik wil niet.

Wie van jullie zegt wel eens: Ik ga niet naar school. Ik wil niet.

Hoe doe je dan? Probeer allemaal maar eens te staan alsof je niet naar school wilt. Ik ga niet! Ik heb geen zin. Ik ga toch niet!

Uiteindelijk moet Mozes toch. Jullie moeten straks ook naar school.

God wordt boos. Hij zegt: Mozes, nu moet je ophouden met zeuren. Jij gaat naar Egypte.

Ik weet niet of Mozes er toen zin in had.

Maar hoe doe je als je zin hebt om naar school te gaan?

Dat moet lukken maandag! Het wordt vast een leuke schooldag.

3. Maarre… wat was er nu gebeurd? Mozes wilde niet – waarom gaat hij toch?

Dat zal ik jullie vertellen.

Dan gaat het om twee dingen – onthoud dat maar goed:

  1. God gaat met je mee
  2. God geeft je iets mee

En dat is natuurlijk niet alleen voor jullie belangrijk. Net zo goed voor de grote mensen in de kerk. Als je iets gaat doen en je ziet er tegenop: onthoud maar die twee dingen:

  1. God gaat met je mee
  2. God geeft je iets mee

Beginnen we bij het begin: God gaat met je mee.

Weten jullie: dit stuk uit de Bijbel is een heel bijzonder stuk. God vertelt hier hoe hij heet. En die naam is heel bijzonder.

God zegt: Ik heet ‘IK ZAL ER ZIJN’.

Dat is God – Hij is bij ons.

Is God nu bij ons?

Is God er altijd?

Ook als je naar school gaat?

Dat zie je niet altijd hè? En dat merk je ook niet altijd.

Weet je waar je het mee kunt vergelijken?

Wie wil hier voorin komen staan? Dan ga ik achter je staan. Zie je dat ik achter je sta? Nee. Voel je dat ik er sta? Meestal niet. Toch sta ik er wel. En als je nu bijvoorbeeld zou vallen, dan vang ik je op!

Zo is het ook met God.

Als je bidt, als je Hem vraagt: Gaat u vandaag met mij mee?

Dan gaat hij met je mee.

Je ziet het niet. Je voelt het misschien niet.

Maar Hij is er wel!

Bidden jullie daarom aan het begin van de dag?

Vader, ik ga vandaag naar school. Ik heb er zin in. Of – ik vind het best wel spannend. Wilt u voor me zorgen vandaag? Gaat u met me mee?

Hoe doen jullie dat thuis – papa’s, mama’s? Bidden jullie zelf? Sta je zo vroeg op dat je samen met elkaar kunt bidden?

Doe dat maar, elke dag. Het is heel belangrijk!

En onthoud dan maar: net zoals bij Mozes: God ziet je. Als je bang bent. Als je het moeilijk hebt. Als je ziek wordt. Als je gepest wordt. Als het niet goed gaat op school. Als je het heel leuk vindt. Als je goed kunt leren. Altijd. En Hij zegt: Ik zal er zijn! Ik ga met je mee! Ga jij met mij mee?

4. Dus het eerste was: God gaat met je mee.

En dan komt er nog iets: God geeft je iets mee.

Mozes moest iets heel spannends gaan doen.

Naar Farao gaan, dat was gevaarlijk.

En dan zeggen: Farao, u moet alle Israëlieten vrij laten. Ze moeten met mij mee. En ze komen niet meer terug.

Wat zou Farao doen? Hem uitlachen? Hem in de gevangenis zetten?

Maar God geeft Mozes wat mee.

Weet je wat? Een paar dingen – daardoor kan Mozes laten zien: God zelf heeft mij gestuurd.

Hij heeft een stok, want hij is een herder. Ik heb hier ook een stok.

Mozes, laat die stok eens op de grond vallen.

Weet je wat er gebeurt? De stok is in een slang veranderd.

Weet je wat je nooit mag doen bij een slang? Hem bij zijn staart pakken. Dan draait hij zich om, en bijt met z’n kop in je hand.

Maar dat moet Mozes wel doen. En dan – dan is de slang weer gewoon een stok.

Dat is een groot wonder!

Zie je wel, dat God met Mozes mee gaat? God helpt Mozes!

En dan – Mozes, steek je hand eens in je jas?

Moet je nu kijken!

Mozes hand is vies – ziek – bah! Onder de uitslag, helemaal wit! Net een beschimmelde perzik!

Mozes, doe je hand nog es in je jas?

Wat – zo’n vieze hand in mijn jas? Dan wordt mijn jas ook vies.

Doe maar, Mozes.

En dan – dan is de hand weer helemaal beter!

Nog zo’n groot wonder.

Zie je wel, dat God met Mozes mee gaat? God helpt Mozes!

En als Mozes zegt: ik ben niet goed in praten. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik stotter. Ik durf niet. Ik ben verlegen.

Dan zegt God; ik help je – een ander gaat met je mee. Dan ben je samen. Hij kan praten voor jou. Aäron, je broer.

God geeft je iets mee!

Aan jou ook?

Ja, aan jou ook.

Dat kan iemand zijn die je helpt – zoals Aäron.

Een vriend, je zus, je papa – of bij de grote mensen – een collega op je werk.

Dat je er niet alleen voor staat!

Of het kan iemand zijn die je op straat tegen komt. En die je iets geeft.

Zo heb ik ooit eens dit kaartje gekregen. Ik heb het altijd nog bij me. Kijk maar:

En dan weet ik altijd: Jezus helpt me.

Jullie krijgen ook zoiets  mee.

Kijk maar. We hebben hier voor jullie allemaal een potlood.

Wat staat er op?

Die mag je in je tas stoppen. En dan weet je altijd: Ik ben niet alleen. Jezus gaat met me mee. En Jezus helpt me: elke dag!