Exodus 22,20-26 – Niet misbruiken, maar hoop geven

Hans Burger
Hans Burger
18 oktober 2009

Exodus 22,20-26 – Niet misbruiken, maar hoop geven

image_pdfimage_print

Liturgie

Welkom en evt actuele mededelingen
Voorzang:
- God kent jou vanaf het begin Opwekking voor kids 77
- Breng dank aan de Eeuwige Opwekking 331
- God houdt van de hele wereld Opwekking voor kids 121
Stil gebed
Votum
Vredegroet
Zingen psalm 145:1 en 4
Wet: gezongen versie
Gebed
Verhaal
Zingen: Als je bidt zal Hij je geven Gez. 39
Schriftlezing: Exodus 22,20-26 en Jacobus 2,14-18
Preek over Exodus 22,20-26
Zingen: Jezus, alles geef ik U Opwekking 582
Presentatie Compassion
Gebed
Collecte
Zingen: Heer uw licht en uw liefde schijnen Opwekking 334
Zegen

Opmerking: ik hoor het graag van te voren wanneer deze preek ergens gelezen wordt. Mijn mailbox is geduldig: hansburger@filternet.nl

Preek over Exodus 22,20-26 – Niet misbruiken, maar hoop geven

1. Stel je voor: je woont in een dorp in Friesland – laten we zeggen: Dronryp. Heel je familie woont in de buurt. Iedereen praat thuis altijd fries. Dan op een dag… Je vader komt thuis en hij vertelt: ‘Ik bin myn wurk kwyt. Myn bedriuw is fallyt ferklearre.’ Hij gaat niet meer naar zijn werk, hij blijft elke dag thuis. Maar na een paar week… Gelukkig, hij heeft weer werk gevonden. Maar wel ver weg, in Brabant.

Je gaat van school. Je moet verhuizen. En je belandt tussen allemaal Brabanders. Ze proate zo gek, mè zone zachte gg. En ze vinde da die nuuwe zo gek proat. En die nuuwe – da bent gij.

Je snapt vaak niet wat ze zeggen. Je weet de weg nog niet goed. Jij bent de vreemde, en je hoort er niet bij. Je komt er ook niet tussen. Je blijft die rare fries. En ze pesten je – jij bent anders. Ze halen je schooltas leeg. Ze prikken je pakjes drinken lek. Alleen maar omdat je vreemd bent.

’s Avonds in je bed lig je te huilen. Je voelt je rot. Je denkt aan je vriendjes in Dronryp. Je voelt je zo alleen.

Hoe voelt het om vreemdeling te zijn?

Dat je anders bent?

Dat je de rest niet goed verstaat – ze praten te snel.

Dat je de weg niet weet.

En dan word je ook nog es gepest…

Wat zou God daar van vinden?

Je mag vreemdelingen niet pesten.

Niet misbruiken.

Waarom niet?

Nou, zegt God hier: je weet toch hoe het is om anders te zijn? Je bent zelf ook vreemdeling geweest.

Dat zegt God tegen Israël – zij hadden in het buitenland gewoond. Niet in Kanaän, maar in Egypte. En daar hadden ze een rottijd gehad.

Maar God zegt het ook tegen ons: jullie zijn hier op aarde vreemdelingen. Jullie gaan naar de kerk – veel anderen niet. Jullie geloven in de Here Jezus – veel anderen niet.

Eigenlijk ben jij als christen een soort vluchteling. Een asielzoeker. Een buitenlander.

Dus kun je het je voorstellen. Vreemdeling zijn is niet leuk. Het is veel leuker om erbij te horen.

En daarom: vreemdelingen niet uitbuiten. Wees aardig voor vreemdelingen!

2. Weet je waarom we vandaag dit stukje uit de Bijbel lezen – nog wel in een gezinsdienst? Omdat het vandaag Micha-zondag is. Micha-zondag, dat hoort bij de Micha-campagne.

Weten jullie nog wat de Micha-campagne is? [Vragen]

Die campagne is genoemd naar de profeet Micha.

Micha zag dat in Israël de dingen oneerlijk gingen. Mensen werden gepest. Er werden mensen bestolen en bedrogen. Onrecht! Daar is God boos over.

En dus zegt Micha:

Jullie weten heel goed wat de Heer graag wil.

Gewoon, eerlijk zijn.
Betrouwbaar zijn

En eenvoudig met God leven en luisteren naar wat Hij zegt.

Kijk maar in Micha 6 vers 8.

Nou, als we dan toch met Exodus bezig zijn: in Exodus zie je dat ook. Bijvoorbeeld in Exodus 22.

God wil dat we eerlijk zijn.

Dat we goed voor elkaar zorgen.

En niet elkaar kapot maken.

Als jij hier geboren bent. Als jij gewoon bij je ouders woont. In een huis. Familie en vrienden in de buurt. Je bent populair op school. Elke morgen lekker vers brood op tafel. Je vader heeft werk. Niemand is ziek. Dan gaat het allemaal goed. Dan sta je sterk.

Maar ook in Nederland zijn er mensen die niet zo sterk staan. Zij staan juist zwak.

We hadden het net al over vreemdelingen. Buitenlanders. Of iemand uit Brabant die hier in Friesland komt wonen. Ze snapt niks van dat Fries. En de kinderen praten zo snel…

Maar je kunt ook aan anderen denken.

In Exodus gaat het over weduwen en wezen.

Wie weet wat een weduwe is? [Zo noem je een vrouw als haar man gestorven is.]

En een wees? [Zo noem je een kind als zijn ouders niet meer leven.]

Als je pech hebt, gaat het niet goed met je, als weduwe bent of wees.

Vergelijk het hiermee: als je ouders gescheiden zijn.

En je woont bij je moeder.

Je vader betaalt te weinig geld.

Je moeder heeft geen werk, maar zit in de bijstand.

Je jongste zusje is twee jaar…

Dan heb je het moeilijk. Misschien krijg je wel eten van de voedselbank in Harlingen. Kleren van het Leger des Heils.

Dan kan het mis gaan. Zo zijn er in Nederland kinderen die geen huis meer hebben. Het huis was te duur. Ze moesten er uit. En dat zijn er best veel in Nederland. Er zijn arme kinderen ver weg in arme landen. Maar niet alleen daar. Ze zijn er ook in Nederland. Gezinnen die een tijdje in een caravan wonen. Of in een auto. Of tijdelijk bij familie. En dan moeten ze weer weg. Steeds ergens anders naar toe.

Kort geleden stond het in de krant.

Er zijn in Nederland steeds meer gezinnen zonder huis. Stel je voor!

3. Gelukkig is het in Nederland niet zo erg als in arme landen. India. Ethiopië. Kenia. Thailand. Soedan. Uganda. Guatemala. Rwanda. Noem ze maar op.

Maar blijft dat zo in Nederland? Ook hier kun je het moeilijk hebben. Uit je huis gezet worden. Uit je buurt weggepest worden.

In Exodus zie je in elk geval heel duidelijk: God wil dat niet.

Er zijn mensen die niet zo sterk staan. Die klem komen te zitten.

Als zij God om hulp vragen, dan luistert God. Het staat hier twee keer.

Als jij gepest wordt, en je voelt je zo rot, en je roept: Here Jezus, help me?

Dan hoort de Here Jezus je.

En als jij je klasgenoot pest, en zij voelt zich zo rot en ze roept: Here Jezus, help me?

Dan hoort de Here Jezus het ook.

Arme mensen.

Dakloze mensen.

Buitenlanders.

Mensen die gepest worden. Op school, op het werk, zelfs in bejaardenhuizen!

Als ze God roepen: Heer, help me toch!

Dan luistert God.

Dat is typisch voor God. Hij is een genadige God.

Zo is Hij.

Hij laat je niet stikken.

Hij wil helpen.

Hij kan er niet tegen als dingen oneerlijk gaan.

Als dingen oneerlijk gaan, wordt Hij daar boos van.

Kijk maar in vers 23:

Daar zegt God:

Jij doet een wees of een weduwe onrecht?

Dan maak ik jouw kinderen wees.

Dan wordt jouw vrouw een weduwe.

Zeg maar: Als jij mensen pest, dan zal ik jou pesten.

God kan er niet tegen. Tegen dingen die oneerlijk gaan.

Ben jij gemeen? Oneerlijk? Pest jij anderen?

Stop er mee!

Ga naar de Here Jezus toe.

En bid: Here Jezus, ik zit fout. Vergeef me.

Maak goed wat je kapot gemaakt hebt.

Want God wil dat wij lief voor elkaar zijn. Dat wij goed voor elkaar zorgen.

Want hij doet het ook bij ons!

Het staat in vers 26 heel duidelijk: Ik ben een genadige God.

Weet je wat dat betekent?

Als God tegen jou zegt: ‘Ik ben een genadige God’?

Dat betekent:

Ik wil niet dat jij kapot gaat. Dat jij een rotleven hebt.

Omdat je gepest wordt.

Of omdat je ouders gescheiden zijn.

Of omdat je vader geen werk heeft.

Ik zie dat je het moeilijk hebt.

Ik zie het dat je huilt.

Als je mij om hulp vraagt, dan help ik je.

Doe dat alsjeblieft. Vraag God om hulp.

Want dan zegt God tegen je:

Ik wil graag voor je zorgen.

Ik hou van je.

Je mag samen met mij verder leven.

Dat is mooi!

4. Denk maar aan het verhaal van Mepper, Smijter en Oplawaai.

Oplawaai had een verschrikkelijk leven. Maar hij kreeg vleugels.

Zo is God.

Je denkt: ik heb een rotleven.

Maar God zegt: ik kom bij je. En ik ga je helpen.

En als God je helpt, dan ga je hopen.

Hopen op iets moois.

Hopen op leuke dingen.

En weet je wat God nou graag wil?

Hij helpt ons. Hij houdt van jou en van mij.

Dat wij met Hem meedoen.

Dat jij en ik anderen helpen. Van anderen houden.

Dat we zeggen: Jezus, alles geef ik u, want ik ben en heb.

Dat hoort er bij. Je kunt niet zeggen: Ik geloof in de Here Jezus. Maar verder ga ik mijn eigen gang.

Je kunt toch ook niet zeggen tegen je klasgenoot: Wat zielig dat je gepest wordt. Ik heb medelijden met je. En daarna tackel je hem en duw je hem in de sloot. Dat is toch een rotstreek?

Weet je wat zo mooi is?

God zegt: de Heilige Geest komt in jou wonen.

En dan mag jij op de Here Jezus gaan lijken.

En jij mag andere mensen gaan helpen. Ook jij mag andere mensen hoop geven. Geef jezelf aan Jezus!

Ik zal een paar voorbeelden noemen, hoe je anderen kunt helpen.

Weet jij al wat je wilt worden?

Je kunt een beroep kiezen waarbij je veel geld verdient.

Maar je kunt ook anderen gaan helpen. Bijvoorbeeld gaan werken in een ziekenhuis, als verpleger, als zuster of als dokter. Omdat God ons gezond wil maken. Misschien zeggen zieke mensen dan later wel: Gelukkig dat jij er bent. Jij hebt me weer hoop gegeven.

Je kunt aardig zijn voor kinderen in je klas. Als iemand gepest wordt zeggen: He jongens, hou es op. Als iemand niet mee mag spelen en er niet bij hoort, juist wel met haar gaan spelen. Want God wil dat we voor elkaar opkomen. Misschien zegt ze dan wel tegen jou: Ik vond er niks meer aan op school. Maar nu heb ik er weer zin in.

En je kunt arme kinderen ver weg helpen. Ik heb hier een foto van ons sponsorkind. Elke maand betalen we geld voor dit meisje. Daardoor kan zij naar school. Dat kunnen jullie thuis ook doen. Doorgeven wat God ons allemaal heeft gegeven. Dan denkt jullie sponsorbroertje of zusje: Wat ben ik blij. Ik had altijd te weinig eten, ik kon niet naar school. Maar nu heb ik toekomst!

Dat is wat God graag wil.

Dan lijken we op de Here Jezus.

Als we elkaar niet kapot maken. Niet pesten. Niet oneerlijk zijn.

Maar als we onszelf aan Jezus geven.

En goed voor elkaar zorgen. Elkaar helpen. Elkaar hoop geven.

Want helpen is hopen!