Exodus 17,1-7 – Water uit de rots voor mensen met een kort lontje

Hans Burger
Hans Burger
27 september 2009

Exodus 17,1-7 – Water uit de rots voor mensen met een kort lontje

image_pdfimage_print

Aangepaste dienst

Liturgie

Voor de dienst speelt de band drie liederen
Opwekking 11          Er is een Heer
Opwekking 277        Machtig God, sterke Rots
Lied Ben Ketting      Hoe kwam Mozes door de Rode Zee
Voorzang: Gez 132 GK (= ER 122)
Stil gebed
Votum / groet
Zingen: Psalm 95,1.3.4
Wet
Zingen Gez 168 (= ER 167 = Opw 42)
Bidden
Lezen uit de Bijbel: Exodus 17,1-7
Zingen E&R 70
Preek over Exodus 17,1-7
Zingen Opw 88
Gebed
Collecte
Zingen: Opw 82
Zingen: Ben Ketting Hoe kwam Mozes door de Rode Zee
Zingen: Elly en Rikkert Ik zegen jou in Jezus’ naam

Zegen
Zingen LB Gez 456,3
Bij het uitgaan:
Zingen: Opw 148

Opmerkingen:

- bij de dienst is een pp-presentatie beschikbaar

- ik hoor het graag van te voren wanneer deze preek ergens gelezen wordt. Mijn mailbox is geduldig: hansburger@filternet.nl

Preek over Exodus 17,1-7 – Water uit de rots voor mensen met een kort lontje

[dia 1] 1. Wie is er wel eens in de woestijn geweest?

Of ben je wel eens in zo’n dierentuin geweest? Waar ze een woestijn hebben gemaakt?

In de woestijn is het heet, heel heet.

Zoals in de zomer. En dan nog heter.

In de woestijn is het droog, heel droog.

Dus er groeit niks. Alle planten gaan dood.

In de woestijn, daar lopen ze. Heel het volk Israël. Het volk van God.

Papa’s en mama’s. Jongens en meisjes. Met de schapen. De geiten. De ezels. De koeien.

Hoe zou het met ze zijn?

Weet je nog wat er gebeurd is?

Ik zal het je vertellen.

Het volk Israël is in Egypte. Daar is het niet leuk. Ze moeten hard werken.

Maar God bevrijdt hen uit Egypte.

Farao is de koning van Egypte. Farao wil niet dat ze weggaan. Hij komt achter hen aan. Ze staan bij de zee. Ze kunnen geen kant op.

Maar in de zee komt een weg.

Hier een muur van water.

Daar een muur van water.

Israël gaat er tussendoor – een droge weg in de zee!

Farao wil er ook langs.

Maar de de muren van water vallen om.

Farao is dood. En alle soldaten van Farao ook.

Dat heeft God gedaan! Wat bijzonder. Wat een wonder!

Dan krijgen ze honger.

Ze willen lekker brood eten. Vers van de bakker. En dat is er niet.

Ze mopperen.

God zorgt voor brood uit de hemel. Lekker om te eten.

Weer krijgen ze honger.

Ze willen lekker warm eten. Met vlees van de slager. En dat is er niet.

Ze mopperen weer.
Weer zorgt God voor lekker eten. Nu zijn het vogels.

Wat zorgt God goed voor hen!

Hij lost alle problemen op.

Ze zijn uit Egypte weg.

Ze gingen door de zee. En Farao is dood.

Ze eten brood. Ze eten vogels.

Geweldig toch?

[dia 2] Nu hebben ze dorst.

Ze willen lekker fris water. Uit de kraan. En dat is er niet.

‘Mama, ik heb dorst. Zit er nog water in de kruik?’ Zie je de jongen met zijn beker?

Hij heeft een droge mond. Heb jij wel eens een droge mond van de dorst?

Maar mama zegt: ‘Kijk, de kruik is leeg. Ik heb niks meer.’

Wat zou jij doen?

Zou jij gaan bidden?

God kan vast wel water geven. Dat komt wel goed.

Maar wat is dat? Ze bidden niet. [dia 3]

Ze mopperen weer. Ze worden boos. Ze worden gemeen.

Ken jij iemand met een kort lontje?

Dan ben je heel snel boos.

Je wordt ook heel erg boos.

En eigenlijk is er niks aan de hand.

Dat is niet leuk. Dan krijg je ruzie over niks.

Of ben jij zelf zo iemand?

Word jij heel snel boos?

Zo gaat het nu ook.

Ze hebben dorst, maar God kan toch wel water geven?

Daar denken ze helemaal niet aan!

Ze bidden niet eens.

Ze zijn God al weer vergeten.

Hoe kan dat toch?

Ze hebben heel erg dorst.

Ze gaan naar Mozes.

Ze geven hem een duw. Een stomp.

He Mozes, aan jou hebben we niks!

Waar is die God van jou?

Door jou gaan we dood!

En onze kinderen gaan dood.

En onze schapen en geiten en koeien!

Je bent een slechte leider!

Hebben ze gelijk?

Wat denk jij?

Wat zou jij doen? Als je heel erg dorst hebt?

2. Maar ze schreeuwen tegen Mozes.

Het is niet leuk meer.

Ze pakken stenen!

Straks maken ze Mozes nog dood.

Dat hoeft toch niet?

God kan toch water geven?

Ze zijn God helemaal vergeten.

Ze hebben een kort lontje.

Zou God er wel zijn? [dia 4]

Zou God geen water geven?

Wat denk jij?

Denk jij dat God er is?

Denk jij dat God je helpt?

Denk jij dat bidden helpt?

Kijk eens naar Mozes!

Mozes wordt bang.

He, hou eens op!

Je gaat toch geen stenen gooien?

Mozes gaat bidden.

Hij vergeet God niet.

Hij weet het niet meer.

Hij zegt: God, wat moet ik met dit volk?

Ze hebben zo’n kort lontje.

Straks maken ze me nog dood!

Wat zou God nu doen?

Zou God Mozes horen?

Zou God luisteren?

Zou God Mozes helpen?

Bid jij ook?

Luistert God naar jou?

Helpt God jou?

Wat zou God denken?

Ik zou zeggen:

Ik krijg een hekel aan dit volk.

Altijd lopen ze te zeuren.

Ik ga ze nooit meer helpen.

Is dat wat God denkt?

Nee.

Dat zegt God niet.

Wat bijzonder. Wat een wonder.

3. Luister maar wat God zegt.

God zegt: [dia 5]

Mozes, ga naar Horeb toe.

Jij en de leiders van het volk.

Horeb is een berg in de woestijn. Een rots.

Daar gaat heel het volk naar toe.

Daar gaan ze God ontmoeten.

Daar sluit God een verbond.

God zegt: Mozes, reis voor de anderen uit.

Ga vast naar het eindpunt van de reis.

Ga naar de rots bij Horeb.

Die rots is heel speciaal.

Het is de rots van God.

De rots van Gods verbond.

Paulus schrijft later in een brief:

Die rots, dat is Jezus.

Jezus is de rots van Gods verbond.

Wat moet ik met een rots?

Een rots is toch geen water?

Nou, wacht maar af.

Wie staat er op die rots?

Hoe staat het in de Bijbel?

Dat had ik nog nooit gezien.

Deze week zag ik het voor het eerst.

Op die rots staat God te wachten.

Je denkt:

Er is alleen maar de woestijn.

Er is alleen nog maar een rots.

En ik heb dorst.

God is er niet.

God zal mij vast niet helpen.

God? Aan God heb ik niks.

Maar God zegt:

Ho! Stop! Zo is het niet.

Ik ben er wel!

En ik sta op de rots!

Ik ben al op het eindpunt van de reis.

Ik kijk naar jullie uit.

Ik wacht – komen ze al?

Mozes bidt.

En hij bidt niet voor niks.

Zou God er zijn?

Ja!

De HEER is er.

De HEER is al aan het eind.

Hij staat al op de rots.

Paulus schrijft later in een brief

– weet je nog, ik zei het al –

Die rots, dat is Jezus.

Jezus is het eindpunt van de reis.

Jezus kijkt naar jou uit.

Hij wacht: Komen ze er al aan?

Ga jij met Mozes mee?

Ga jij mee naar de rots?

Want bij die rots, daar is de HEER.

Waar Jezus is, daar is de HEER!

En Jezus wacht op jou!

4. Maar ik heb dorst.

Wat heb ik aan een rots?

Een rots kan ik niet drinken.

Ook al staat God op een rots.

Een steen, dat is geen water.

Maar God staat op de rots.

Weet je wie God is?

Ze stonden bij de zee.

En in de zee, daar kwam een pad.

Hier een muur van water.

Daar een muur van water.

Daartussen was het droog.

Ze hadden honger. Was er maar lekker brood.

En God gaf brood uit de hemel.

Ze hadden honger. Was er maar lekker vlees.

En God gaf vogels, lekker eten.

Ze hebben dorst – was er maar water.

En dus…

God geeft water.

Water uit de rots.

Kijk naar deze steen.

Zit er water in een rots?

Nee.

Een rots is hard.

Een rots is droog.

Mozes, sla maar op de rots.

Dat helpt natuurlijk niks.

O nee?

Mozes slaat op de rots. [dia 6]

En er komt water uit!

Er komt water uit een rots!

Dat kan niet!

Dat is nog nooit gebeurd!

Een rots is hard.
Een rots is droog.

Er komt geen water uit een rots.

Maar het is de rots van God.

En God staat op de rots.

God geeft water uit een rots.

Stel je voor.

God zegt niet: Ik ben jullie zat.

Heb je dorst? Nou, ga maar dood.

Heb jij even pech gehad.

Altijd maar zeuren.

Al die korte lontjes.

Weg met jou!

Nee!

God zegt: Heb je dorst?

Kom maar bij de rots.

Jezus is de rots.

Daar is water.

Heel veel water.

Levend water.

Heb jij een kort lontje?

Ben je God weer snel vergeten?

Denk je zomaar: Waar is God?

Vergeet God niet.

Mopper niet op God.

God is er wel.

Ook als je Hem niet ziet.

God staat al aan het eind.

Hij staat op de uitkijk.

Komt hij er al aan?

Zie ik haar al komen?

Jou, jou, jou?

En daar is water.

Onverwacht.

Je denkt: ik heb dorst. Dit wordt mijn dood.

Je bent ziek, erg ziek. Hoe word je beter?

Je moeder gaat dood. Je bent alleen.

Je hebt geen werk. Het geld is op.

Je denkt: Wie helpt mij nu?

Maar God geeft water uit de rots.

Waar je niets hebt om te hopen.

Daar is God.

God geeft leven in de dood.

Jezus Christus is de rots.

Hij ging dood.

Niets meer om te hopen.

Maar Hij leeft.

Hij geeft de Heilige Geest.
Levend water.

Ook al is er een woestijn.

Hij is er bij.

Je bent nooit meer alleen.

Hij houdt van jou.

Hij geeft het:

Leven door zijn dood!