1 Petrus 5,8-11 – Intredepreek Franeker-Sexbierum – ds. Mark Veurink

Mark Veurink
Mark Veurink
21 oktober 2012

1 Petrus 5,8-11 – Intredepreek Franeker-Sexbierum – ds. Mark Veurink

image_pdfimage_print

Liturgie

Zingen: Opwekking 574 (canon 3 groepen)
Votum en vredegroet
Zingen: LvK Lied 409 : 1, 2 en 5
Gebed
Lezen: 1 Petrus 5
Zingen: GKB Psalm 7 : 1 en 7
Preek over 1 Petrus 5 : 8 – 11
Luisterlied: in die hemel is die Heer
Zingen: GKB Gezang 143 : 1, 2, 3 en 4
Geloofsbelijdenis:
Zingen: GKB Gezang 123 : 1
Voorlezen deel geloofsbelijdenis
Zingen: GKB Gezang 123 : 4 en 5
Gebed
Collecte
Zingen: Opwekking 520 : 1, 2, 3, 4 en 5
Zegen

Intredepreek Franeker-Sexbierum

Inleiding

dia 1 – ballonnen
Vandaag is het feest.
Ik zou bijna zeggen: gefeliciteerd.
Maar ja, dat is toch wel een beetje gek.
Jullie feliciteren met dat ik hier sta.
Zo zelfingenomen wil ik niet zijn en hoop ik ook nooit te worden.

Toch is het vandaag wel echt feest.
Feest voor Hanneke en mij,
nu we mogen beginnen met het werk hier in Franeker.
Feest voor de leden van de Voorhof:
vanaf vandaag hebben jullie weer een predikant.
Ik hoop dat mijn werk hier voor heel Franeker een feest mag worden.
Dat ik iets kan betekenen voor de samenleving hier.

dia 2 – zwart
Maar is het voor zo’n feestelijke dag als vandaag
dan niet een wat zwaar bijbelgedeelte?
Het gaat er helemaal niet over een feest,
het gaat juist over oorlog.

dia 3 – brief
Toch heb ik er bewust voor gekozen
om juist nu dit bijbelgedeelte centraal te stellen.
Om dat duidelijk te maken, wil een stukje uit een brief voorlezen.
Een brief van ‘de raad van de gereformeerde kerk van Franeker-Sexbierum’.
Ik hoop dat jullie (KR) daar geen bezwaar tegen hebben.
Het gaat om de brief aan Hanneke en mij om naar Franeker te komen.
Ik lees het even voor:

“Via deze brief willen we een hartelijk en klemmend beroep op jullie doen: kom naar Franeker-Sexbierum en bouw hier met ons aan Christus’ kerk. Preek ons het Woord, maak met ons het Evangelie bekend in deze regio, geniet met ons van alle weldaden die onze Vader ons hier doet ervaren, zoek met ons de troost en leiding van de Heilige Geest, ervaar met ons de eenheid in Christus en sta ons terzijde in het weerstaan van de tegenstander.”

Waar het mij nu om gaat, is dat laatste:
sta ons terzijde in het weerstaan van de tegenstander.
Deze zin is bij mij blijven hangen.
Werken als predikant mooi en dankbaar werk,
maar het is ook een functie in een geestelijke oorlog.

dia 4 – zwart
Waarom blijft juist deze zin zo bij mij haken?
Ik denk omdat ik getroffen ben door de waarheid ervan.
Geloven in Jezus Christus is niet gemakkelijk.
Er is een tegenstander, de duivel, die alles zal doen wat in zijn macht ligt
om dat geloof kapot te maken.
Geloven is daarom altijd vechten.
Dat ene zinnetje,
sta ons terzijde in het weerstaan van de tegenstander,
is heel kernachtig voor mijn werk als predikant.

1. De inzet

dia 5 – punt 1
Ik zeg dat nu wel heel gemakkelijk,
dat geloven altijd vechten is,
maar klopt dat eigenlijk wel?
Ik heb thuis al leren geloven.
Of God wel bestaat is nooit echt een vraag voor mij geweest.
Hoezo, geloven een gevecht?
En zelfs als je op latere leeftijd tot geloof bent gekomen,
kan geloven iets heel gewoons worden.

Petrus ziet geloven in ieder geval niet als zoiets gewoons.
Hij heeft het over waakzaam zijn, op je hoede.
Dat schrijft hij aan ons,
maar zijn eerste lezers waren christenen die verspreid woonden in wat nu Turkije is.
Petrus noemt hen regelmatig ‘vreemdelingen’.
Ze mogen dan wel in Turkije wonen, dat is niet hun thuis.
Zij horen bij God.

De christenen aan wie Petrus schrijft,
leefden in een wereld waarin nauwelijks christenen waren.
Ze waren uitzonderingen, en daarom een beetje vreemd.
De mensen om hen heen hielden hen goed in de gaten.
‘Wat zijn dat voor vreemde mensen, die christenen?
Waarom geloven ze in die rare God van ze?’
Deze christenen werden zelfs onderdrukt.

Dat laatste gebeurt bij ons niet zo,
al moet je je geloof vooral wel prive houden,
maar verder lijkt deze situatie behoorlijk op de onze.
Ook in Franeker zijn christenen uitzondering.
De hele brief van Petrus gaat over
hoe je als christen leeft in een wereld waarin je uitzondering bent.
Heel actueel dus.
De komende weken zullen we daarom in de morgendiensten
ook de rest van deze brief bekijken.

Hoe dan ook,
juist deze christenen worden door Petrus aangemoedigd om te vechten.
Het gevaar voor die christenen in Turkije is
dat ze zwichten voor de druk uit hun omgeving
en net zoals de mensen om zich heen gaan leven.
Waarom zou je helemaal voor God leven,
als het met niet-christenen misschien nog wel beter gaat?

Geloven is vechten.
Dan heb ik het niet zozeer over naar de kerk gaan
of ervan overtuigd zijn dat God bestaat,
maar wel over dat je hele leven in het teken staat van Christus.

In die zin is geloven voor mij echt een gevecht.
Ik heb zeven jaar theologie gestudeerd.
Zeven jaar fulltime bezig met God en de bijbel.
Je zou zeggen: daarvan zul je toch dicht bij God komen.
Niet dus.
Natuurlijk, ik heb dingen geleerd die me dichter bij God hebben gebracht.
Maar dat is geen automatisme.
In je hele leven christen zijn, dat is gewoon moeilijk.

Het is veel gemakkelijker om te leven zonder met God rekening te houden.
Om gewoon op te gaan in het gewone leven.
Ik leef vandaag, en elke dag is er genoeg te doen.
Vrienden, familie, een verhuizing en gewoon ontspanning.
Waarom zou je je dan ook nog altijd met God bezig willen houden?

Petrus zegt dan: het leven heeft een doel.
Het gaat niet om je fijne of minder fijne leventje vandaag.
Waar het om gaat, het staat in vers 10,
is dat God je geroepen heeft naar zijn eeuwige luister.
Je leven vandaag staat in dat perspectief.

Geloof je dat op een dag Jezus terugkomt naar de aarde?
Dat het leven nu daarop gericht is?
Dat is de inzet van het gevecht.
Leef je voor het dagelijkse leven
of leef je voor dat grotere doel: de eeuwige luister van God?

Als je voor dat grotere doel leeft,
kun je ook anders gaan leven.
Juist zo kunnen we als kerk iets voor Franeker betekenen.
Door niet te zoeken naar hoe we ons eigen dagelijks leven
zo mooi mogelijk kunnen maken,
maar juist het belang van anderen te dienen.

Wat ik als predikant van deze kerk steeds weer wil doen,
is hierop de aandacht vestigen.
We zijn geroepen om deel te krijgen aan Gods eeuwige luister.
Dat is de kern.

2. De tegenstander

dia 6 – punt 2
Maar: dit is een gevecht.
Er is een tegenstander.
“De duivel zwerft rond als een brullende leeuw,” schrijft Petrus.
Zijn doel is precies het tegenovergestelde:
“leef voor jezelf, je leeft tenslotte maar één keer,
maak het jezelf toch niet zo moeilijk met dat geloven.”

Beangstigend.
Of niet?
Waar hebben we het eigenlijk over?
dia 7 – duivel
De duivel…
Is dat niet zo’n mannetje in een rode broek met een drietand en hoorntjes op z’n hoofd?
Zo’n figuur uit een stripboek die wanhopig probeert je bang te maken,
maar alleen maar inwerkt op je lachspieren?
Kom op, we zijn voor de duvel niet bang meer.
Wie gelooft er nu nog in zo’n zielige grap?

dia 8 – punt 2
Ik dus.
En de kerkenraad ook, volgens die brief.
Ik zeg het met enige schroom.
Ik weet dat veel mensen mij wanhopig ouderwets zullen vinden
wanneer ik zeg dat ik nog in de duivel geloof.
Maar als je gelooft in God,
kun je volgens mij niet anders dan ook te geloven
dat er iemand is die het kwaad in eigen persoon is.

Het komt die duivel eigenlijk wel goed uit,
dat beeld dat van hem geschetst wordt.
Dat rode mannetje kan gewoon niet bestaan,
dus kan de duivel niet bestaan.
Ongestoord kan hij zijn gang gaan, zonder dat iemand het doorheeft.

Hij is gevaarlijk, zoals die brullende leeuw.
Maar hij past zich ook aan zijn omgeving aan, zoals een kameleon.
In een tijd als die van ons
wil hij graag laten geloven dat al dat gepraat over duivels maar onzin is.
Het is voor hem alleen maar gemakkelijker om te vechten
met mensen die hem toch niet zien.
Hij zorgt er wel voor dat voor alles wat hij doet
ook een gewone verklaring gegeven kan worden.
Maar het maakt hem niet minder actief.

3. De prooi

dia 9 – punt 3
Geloven is dus een gevecht met de tegenstander.
De tegenstander die, volgens Petrus, op zoek is naar een prooi.
Over die prooi wil ik het nu hebben.
Wie vormt die prooi?

Heel kort gezegd:
iedereen die de duivel maar te pakken kan krijgen.
Zo kieskeurig is hij namelijk niet.

Maar ik wil het nu toespitsen op de Voorhof.
De duivel wil ook graag deze kerk verslinden.
Daarom die oproep van de kerkenraad:
‘sta ons terzijde in het weerstaan van de tegenstander.’

Even concreet.
Hoe probeert de duivel in deze kerk actief te zijn?
Om eerlijk te zijn: ik weet het niet.
De duivel is nu eenmaal niet zo open in zijn strategie.

Wel kan ik een paar mogelijke effecten van het werk van de duivel noemen.
De eerste heb ik eigenlijk al genoemd.
Het komt de duivel heel goed uit als christenen vergeten waar het eigenlijk om gaat.
Als ze niet verder kijken dan vandaag, helemaal opgaan in hun aardse leven.
Als ze wel geloven dat Jezus terug zal komen,
maar Jezus van hen best nog even mag wachten.
Want het leven op aarde is zo mooi.
Een kerk waar mensen wel naar toe gaan om een kerkdienst af te werken,
een kerk van uiterlijkheden en woorden zonder hart,
zo’n kerk kan de duivel goed gebruiken.

Het tweede effect heeft hier mee te maken.
De duivel vindt het mooi als een kerk naar binnen gericht is.
Als het leven binnen de gemeente de energie van de leden helemaal in beslag neemt.
Hij wil graag dat de kerk niets voor de samenleving betekent
en het goede nieuws van Jezus Christus voor zichzelf houdt.
Een kerk die naar buiten gericht is, vind hij vreselijk.
Wie zijn geloof niet voor zichzelf wil houden,
kan daarom extra tegenstand verwachten.
Hoe minder mensen Jezus volgen, hoe beter.

Petrus noemt nog een ander effect van het werk van de duivel: lijden.
In zijn brief komt dat steeds weer terug.
Blijkbaar hebben die christenen in Turkije veel leed te verdragen.
Daarbij gaat het vooral over vijandigheid tegenover christenen.
Zo wil de duivel je ontmoedigen om christen te zijn.

Als laatste effect noem ik de verhoudingen binnen de kerk.
Petrus schrijft daarover in vers 5.
In de omgang met elkaar moet je altijd de minste willen zijn.
Haantjesgedrag in de kerk is de duivel welkom.

Mijn taak als predikant is om jullie scherp te houden in dit gevecht.
Ik hoop dat ik ervan bewust kan maken hoe de vijand bezig is.
Hij gaat immers het liefst ongestoord zijn gang.
Dat betekent ook dat mijn taak soms pijnlijk is.
Want wie staat er nu om te springen van mij te horen
hoe de duivel in zijn leven bezig is?

Laat het nu trouwens niet lijken alsof de duivel met de gemeente bezig is,
en ik buiten schot blijf.
Juist als predikant ben ik voor de duivel een aantrekkelijke prooi.
Hij zou mij graag gebruiken voor zijn duistere plannen.
Om jullie door mij op een dwaalspoor te brengen.

Laat ik maar gewoon een zwakke plek van mij benoemen: hoogmoed.
Ik vind het heerlijk om herkend te worden en gewaardeerd te worden.
In een duister hoekje van mijn hart wil ik gewoon de beste predikant zijn.
In plaats van de blik op God te richten, ontneem ik het zicht op hem dan juist
door ervoor te gaan staan.

Een andere zwakke plek kan mijn eigen geloofsleven zijn.
Ik ben zo druk met van alles en nog wat, dat tijd met God er zomaar bij in kan schieten.
Een paar weken geleden ben ik begonnen in het boekje ‘te druk om niet te bidden’,
maar ik ben er gewoon te druk voor.
De duivel doet er zijn best wel voor dat ik gewoon geen tijd voor God heb.

Petrus schrijft aan het begin van het hoofdstuk van alles over leiders.
De duivel wil bij mij precies het tegenovergestelde bereiken:
dat ik mij onverantwoordelijk gedraag,
vooral zelf beter wil worden van mijn werk als predikant
en er in mijn persoonlijk leven een puinhoop van maak.

Ook met mij is de duivel bezig.
Dat vind ik beangstigend.
Ik wil daarom ook aan jullie iets vragen.
Ik beloof dat ik jullie zal helpen in het gevecht met de duivel.
Zullen jullie ook mij daarbij helpen?
Als jullie zien hoe de duivel in mijn leven en in mijn werk actief is,
zullen jullie het me dan zeggen en me helpen te vechten?
Ook al zijn het dingen die ik liever niet wil horen?
Zullen jullie mij scherp houden, en steeds weer op God richten?

4. De winst

dia 10 – punt 4
Hoe kun je dit gevecht winnen?
Laten we als laatste kijken naar wat Petrus daarover zegt.

Hij schrijft over waakzaam zijn, en op je hoede.
Gesterkt door je geloof moet je tegen de tegenstander vechten.
Geloof is dus enorm belangrijk in dat gevecht.
Het is de brandstof.

De duivel is wel zo sluw dat je liever niet tegen hem vecht.
Kiezen voor God gaat tegen je eigen natuur in.
Neem bijvoorbeeld je tijdsbesteding.
God wil dat je tijd neemt voor hem en voor anderen.
En voor vrienden maak je ook tijd.
Maar hoe zit dat met mensen die je niet zo graag mag?
God wil dat je tijd neemt voor iedereen die hij op je pad plaatst.
De duivel niet.
Die wil het liefste dat je alleen maar tijd voor jezelf neemt.
Dat de tijd die jij voor de televisie zit en op het internet heilig voor je is.

In het gevecht moet je dus niet alleen tegen de duivel kiezen,
maar ook tegen jezelf!
Dat kan alleen maar als er een grotere kracht is die je drijft.
Zo’n kracht is het geloof.
Als je gelooft dat je voor God leeft,
en zoals Petrus in vers 6 zegt,
dat God je een eervolle plaats zal geven,
dan kun je dat gevecht winnen.

Petrus wijst ook op andere christenen.
Waar ook ter wereld lijden christenen onder het werk van de duivel.
Elke christen doet mee in dat gevecht.

Dat de duivel in je leven actief is, is niet iets om je voor te schamen.
Het hoort nu eenmaal bij het leven als christen.
Je bent niet uniek als je tegen de duivel moet vechten.
Sterker: je bent uniek als de duivel jou met rust laat.

Vechten tegen de duivel is niet iets wat je alleen hoeft te doen.
Dat doe je met elkaar.
Maak daarom bespreekbaar waar jij tegen moet vechten.
De kans is groot dat anderen het alleen maar herkennen.
Ook dat geeft kracht om te vechten.

En dan zegt Petrus opeens nog iets heel anders:
God zelf doet mee in het gevecht.
Hij zal je sterk en krachtig maken.

Dat vind ik fascinerend.
Wat God doet en wat mensen doen, gaat hier hand in hand.
God vecht voor ons,
maar dat ontslaat je niet van de verantwoordelijkheid ook zelf te vechten.
Maar: als God niet mee zou doen,
zou ons vechten zinloos gepruts worden.

Je hoeft het niet alleen te doen in het gevecht.
God vecht met je mee.
Daarom kun je de strijd ook aan.
De duivel heeft macht, veel macht,
maar vergeleken met God is het niets.
Daarom hoef je niet weg te lopen voor de strijd.
Als God erbij is, zul je het winnen.

Daarom is het gevecht ook niet eng.
Ja, de duivel is angstaanjagend.
Maar hij vindt God angstaanjagend.

Nu ik hier predikant wordt, hoef ik het dus ook niet alleen te doen.
Ja, het is belangrijk dat ik me inzet voor mijn werk.
Maar deze kerk is niet het kerkje van ene Veurink.
Nee, deze kerk is kerk van God.
Ik ben niet meer dan een hulpje van hem.
Zonder God zou mijn werk hier zinloos zijn.

Hem komt de macht toe, voor eeuwig.
Amen.